Arme, arme vrouwen

Het maatschappelijke debat over armoede in Nederland gaat zelden over het feit dat er meer vrouwen arm zijn dan mannen. Als we armoede beter willen begrijpen, dienen we niet alleen rekening te houden met etniciteit, maar ook met het feit dat het vaak om vrouwen gaat. We hebben dus een genderperspectief nodig. Armoede is niet zozeer een individueel, maar een structureel probleem. De structuren van onze samenleving zijn zodanig, dat mensen op basis van persoonlijke kenmerken - leeftijd, opleiding, gezondheid, etniciteit en, niet in de laatste plaats, geslacht - worden uitgesloten. En juist de kruispunten van deze persoonlijke kenmerken veroorzaken ernstige vormen van sociale ongelijkheid.

Ondanks decennia van emancipatiebeleid blijkt het lastig met de "idealen' van het kerngezin, de mannelijke kostwinner en de vrouwelijke verzorgster af te rekenen. Mannen werken nog steeds meer dan vrouwen (zowel qua participatie als uren). Mannen hebben nog steeds een hoger inkomen dan vrouwen (hoewel de laatste berichten zijn dat vrouwen met een inhaalslag bezig zijn) en vrouwen nemen nog steeds het leeuwendeel van de zorg voor de kinderen op zich. Alle drie factoren dragen ertoe bij, dat de kans op armoede van vrouwen hoger is dan die van mannen. Vooral alleenstaande moeders lopen een hoog risico op armoede.

Van 1997 tot 2003 heb ik onderzoek gedaan naar armoede in twee arme buurten in Amsterdam. Daaruit blijkt dat alleenstaande moeders graag willen werken, maar dat het vaak lastig is om zorg met werk te combineren. Door hun zorgtaken kunnen ze moeilijker een volle baan accepteren en publieke kinderopvang in Nederland blijft problematisch.

Als laagopgeleide vrouwen in deeltijd gaan werken, verdienen ze vaak te weinig om aan de armoede te ontsnappen. Bovendien voelen veel vrouwen zich schuldig naar de kinderen toe over het gemis aan een vader. De norm is immers nog steeds het kerngezin. Ze proberen dit gemis te compenseren door hun kinderen extra aandacht te geven en ze niet "ook nog eens naar de naschoolse opvang te sturen'.

Het is overigens een valkuil te denken dat alle alleenstaande moeders arm zijn. Hoogopgeleide alleenstaande moeders lukt het veel vaker om uit de armoede te blijven dan laagopgeleide vrouwen en ook etniciteit speelt een belangrijke rol. Surinaams-Creoolse vrouwen, die vaak hun kinderen zonder partner grootbrengen, blijken beter in staat om werk en zorg te combineren. Dit hangt onder meer samen met hun zelfbeeld als moeder. Ze voelen zich naast hun zorgtaken zeer verantwoordelijk voor het economische welzijn van hun kinderen en zij laten zich bij het zoeken naar oplossingen om zorg met werk te combineren niet leiden door schuldgevoelens.

De armoedebestrijding in Nederland gaat vaak over het stimuleren van betaald werk. Dit is belangrijk, maar tegelijkertijd zou het moeten gaan over het opheffen van de machtsongelijkheid tussen vrouwen en mannen. En dat betekent een tweesporenbeleid. In de eerste plaats dient de overheid met hernieuwde energie de arbeidsdeling van de mannelijke kostwinner en de vrouwelijke verzorgster te lijf te gaan. In de tweede plaats zou een beleid specifiek gericht op alleenstaande moeders in de bijstand niet misstaan. Een substantiële stijging van hun uitkeringen is noodzakelijk. Dit geeft vrouwen meer zeggenschap over zichzelf, meer bewegingsvrijheid en meer keuzemogelijkheden.

Kortom: armoedebestrijding vanuit een genderperspectief dient te gaan over de empowerment van vrouwen. Het gemis aan een genderperspectief in het huidige beleid is des te opmerkelijker, omdat bij het Nederlandse ontwikkelingsbeleid gender al sinds jaren het sleutelwoord is.

Onze overheid vindt empowerment van vrouwen in ontwikkelingslanden blijkbaar belangrijk, maar houdt het in eigen land voor gezien.

Dr. Annelou Ypeij is antropoloog en universitair docent bij het Centrum voor Studie en Documentatie van Latijns-Amerika (CEDLA) in Amsterdam.

    • Annelou Ypeij