Nobody op Curaçao, 't ergste wat er is

De bovenklasse op Curaçao trek zich weinig aan van de onderklasse op het eiland. “Probleemjongeren zijn niet mijn pakkie-an.“

Op de parkeerplaats van supermarkt Centrum, in de van oudsher chique Curaçaose wijk Mahaai, staan wat SUV's, verschillende typen Mercedes en een Lexus. Dames in blouses en andere voor kantoor geschikte kleding lopen de zaak in. Voor de ingang staat David. De 67-jarige komt speciaal uit de volkswijk Otrobanda om bij Centrum auto's te wassen. Daar winkelen de rijken, weet David. “De Curaçaoënaars die hier komen zijn deftig, ze lopen zo“, hij steekt zijn borst vooruit, “ze voelen zich beter dan de rest, maar ze zijn niet aardig, ze zijn ruw.“

Als groep trekken geslaagde Curaçaoënaars weinig aandacht. Ondertussen komt de onderlaag van de samenleving, zowel op Curaçao als in Nederland, steeds negatiever in het nieuws. Succesvolle Curaçaoënaars voelen zich daar over het algemeen niet door aangesproken. Na vijftig jaar Antilliaanse autonomie is de van oorsprong koloniale Curaçaose eilandsamenleving nog altijd zwaar gesegregeerd.

Malvina Cecilia (36) komt uit principe niet bij supermarkt Centrum. De clientèle maakt haar misselijk. Als maatschappelijk werkster bij de Stichting Reclassering Curaçao heeft ze dagelijks te maken met de Curaçaose onderklasse. Volgens Cecilia zijn de hoger opgeleiden, zowel blank als zwart, een even groot probleem voor de Curaçaose samenleving als de probleemjongeren. “Ze houden elkaar in stand“, zegt ze. “De gestudeerden zouden beter moeten weten, maar zij houden zich afzijdig.“

“Er zijn twee soorten Antillianen“, zegt Kristi Peterson (33), general manager bij een technisch installatiebedrijf, “ontwikkelde Curaçaoënaars en onontwikkelde Curaçaoënaars. Die laatste groep is het grootst.“

Jonge Curaçaoënaars zijn niet gemotiveerd om te werken, weet Peterson. Ze willen op een makkelijke manier geld verdienen, denken dat de rijken er ook niets voor hoeven doen. Maar zij werkt keihard voor wat ze heeft. Betaalde zelf haar studie, los van haar ouders. “Ik kan mijzelf natuurlijk niet vergelijken met iemand uit een arm, gebroken gezin, maar toch.“

Peterson maakt zich wel grote zorgen over de toenemende agressie op Curaçao. Al twee keer werd ze onder schot genomen. “Vooral als je rijdt moet je erg uitkijken. Een keer had het geregend en had ik niet in de gaten dat de auto naast me geen airco had. Ik reed door plassen en het water spatte daar door de open ramen naar binnen. Die auto heeft me toen achtervolgd en er is een geweer op me gericht.“

De achterbuurvrouw van Peterson, Adolphine Debrot, schaamt zich niet voor de probleemjongeren, “want het is mijn pakkie-an niet.“

Aan de onderklasse valt te verdienen

Debrot komt uit een oude blanke Curaçaose familie en winkelt vaker bij de chique supermarkt Centrum.

Ook Nicky Rojer, 38 en eigenaar van een trainings- en vormingsbureau, deelt de mening van Debrot. Zestien jaar woonde ze in Nederland, inmiddels is ze vier jaar terug op Curaçao. Ze kent geslaagde Curaçaoënaars die in het Nederlandse openbaar vervoer bewust geen Papiaments praten, uit angst om met Antilliaanse probleemjongeren geassocieerd te worden. Het heeft te maken met een gebrek aan zelfverzekerdheid, denkt ze. “Als je in Nederland met de lagere klasse omgaat, word je op Curaçao toch als minder succesvol gezien. En een nobody zijn is het ergste wat je hier in deze kleinschalige eilandgemeenschap kan overkomen.“

Ook architect Lyongo Juliana vindt het vervelend om bij supermarkt Centrum te winkelen, waar mensen hun status ontlenen aan oud geld, niet aan hun intelligentie. Toch was hij tijdens zijn studie in Nederland niet echt bezig met zijn Antilliaanse achtergrond. “Dat je Curaçaoënaar bent“, zegt hij op de campus van de Universiteit van de Nederlandse Antillen, waar hij als docent bouwkunde en architectuur werkt, “betekent niet dat je bent opgeleid als sociaal werker. Maar dat willen Nederlanders wel.“

Nu Antilliaanse jongeren in Nederland steeds meer als problematisch worden gezien, komen er aanzienlijke bedragen vrij om die problemen te verhelpen. Zo stelt de Nederlandse rijksoverheid fondsen beschikbaar voor gemeenten waar meer dan twee procent van de inwoners uit Antillianen bestaan, de zogenoemde Antillengemeenten. Ook op Curaçao is Nederlands subsidiegeld voorhanden. Dat is binnen de Antilliaanse gemeenschap, zowel op Curaçao als in Nederland, niet onopgemerkt gebleven.

“Er zit veel geld in de doelgroep“, zegt reclasseringsmedewerker Malvina Cecilia. Dat hoort ze van geslaagde Antillianen, maar ook van de jongeren zelf. Bovendien worden er steeds meer projectvoorstellen ingediend. “Niet altijd met de beste bedoelingen“, meent Cecilia, “er bestaat een groep die ik zie als de subsidiemaffia; aanvragers die een project voor Antilliaanse probleemjongeren bedenken om daarmee in hun eigen levensonderhoud te voorzien.“

Volgens Carel de Haseth, auteur en voormalig gevolmachtigde minister van de Nederlandse Antillen in Nederland, heeft Nederland dat ook aan zichzelf te danken. Als er vanuit het Rijk geld is voor Antilliaanse probleemgevallen, wordt het voor een gemeente interessant om Antilliaanse inwoners te hebben.

“Er zijn individuen“, zegt De Haseth, “die daar doorheen fietsen en rapport op rapport op rapport produceren over hoe erg het allemaal is. Maar je kan je afvragen wat er eerder was: de kip of het ei.“

    • Miriam Sluis