Koud zweet bij Zwagermans

“Nooit eerder was ik iemand tegengekomen die het onderhoud aan zijn piemel zo consequent uitvoerde als Michael'. Ha, zo'n verhaal ga je lezen, zeker als het “Apenverdriet' heet en geschreven is door Wanda Reisel. Wie wil weten hoe Michael zijn geslachtsdeel onderhoudt en met welk effect moet De Revisor kopen. Het “Groot winterboek', zoals het jongste nummer heet, is gewijd aan het Nederlandstalige korte verhaal, dat dankzij de publicatie van Joost Zwagermans uitmuntende bloemlezing De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 250 verhalen weer volop in de belangstelling staat.

In oktober 2004 organiseerde de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam een avond over het korte verhaal waar enkele meesters in dit genre, Vonne van der Meer, Helga Ruebsamen, Henk Romijn Meijer en L.H. Wiener, inleidingen verzorgden. Hun bijdragen vormen, met een lezing van Kees 't Hart, het essayistische kader waarbinnen verhalen van onder anderen Herman Franke, Ilja Pfeijffer, Floor Haakman en Kristien Hemmerechts ons van de kracht van dit genre overtuigen.

Het zijn stuk voor stuk mooie verhalen. Maar bewijst dat nou - zoals Helga Ruebsamen in haar essay “Een vrek met woorden' betoogt - dat het korte verhaal per se de voorkeur verdient boven de roman? Een romanschrijver verlangt volgens Ruebsamen niets meer van zijn lezer dan dat deze zich “laat meeslepen als een braaf kind', terwijl de “korteverhalenschrijver zonder pardon eist dat zijn lezer zich gaat inspannen'. Het is haar goed recht een novelle van Dostojevski meesterlijker te vinden dan Tolstojs Oorlog en vrede, maar om op grond van zo'n persoonlijke voorkeur dan maar gelijk de roman als een minderwaardig en gemakzuchtig genre te beschouwen gaat mij te ver.

Haar collega-auteurs zijn minder apodictisch. Zowel Vonne van der Meer als L.H. Wiener komt er rond voor uit dat zij aanvankelijk het korte verhaal kozen uit tijdgebrek. Zij doen niet denigrerend over romans, integendeel. Van der Meer weidt uit over technieken om haar lezers bij haar personages te betrekken, precies zoals dat in romans gebeurt. Wiener weigert zelfs een onderscheid, laat staan een hiërarchie, in genres aan te brengen.

De vermakelijkste bijdrage is van Joost Zwagerman in een gefictionaliseerd autobiografisch essay. Otto Vallei, Zwagermans alter ego in zijn roman Chaos en Rumoer , is gastdocent “creatief schrijven' aan de Universiteit Leiden en verveelt zijn gehoor met clichés als “showing, not telling' en met verkeerd vertelde anekdotes over William Burroughs. Een getalenteerde studente zet hem genadeloos te kijk - showing! - in een studentenblad. Het koude zweet van plaatsvervangende schaamte breekt je uit. Misschien kan de Universiteit Leiden voor een volgende cursus Henk Romijn Meijer inhuren. Diens essay over het korte verhaal is voorbeeldig, daar hebben aankomende creative writers iets aan.

De Revisor. 32ste jaargang, nr. 6, december 2005. Querido, euro 11,-