Kattenmeppen in Spanje

Een zilverachtige siamees met blauwe ogen blijkt een lastige logé in het Zuid-Spaanse huis.

Even de Hollandse winter verruild voor het felle licht en de rijpe citroenen in een klein stadje in Zuid-Spanje, en zie, binnen een paar dagen transformeer ik alweer tot wat ik blijkbaar in het diepst van mijn ziel ben: een kattenwijffie. Zo'n type dat uit scharrige plastic tasjes en geheime zakken in haar overjas de zwerfkatten loopt te voeren. Gewetensvol bewaar ik alle restjes vis, vlees, kip en kaas voor mijn schatjes, die met zijn vijfentwintigen bij een hol in een rotswand aan zee rondhangen. Die restjes volstaan natuurlijk niet, dus stort ik ook dagelijks de inhoud van twee of drie blikjes voor ze uit. Mijn man wil bij deze activiteiten voor geen goud in mijn gezelschap aangetroffen worden, dus ik ben meestal alleen bij de voerplek, tenzij er net toeristen over het rotspad omhoog of omlaag lopen, die soms vragen: “Are all these cats yours?“

Nee, ze zijn van de gemeente, die een voederverbod heeft ingesteld en ieder jaar een grote ruimingsoperatie houdt. Al wie daarbij gevangen wordt, belandt in de gaskamer van het asiel. Niets aan te doen. Althans...

Tussen de vel-over-been scharminkels met oogziekten, kale plekken en gerafelde oren loopt ook jong grut dat nog glanzend, speels en ongehavend is. Dit jaar is er een zilverachtige siamees bij met blauwe ogen en grote, bruine oren, voor wie ik hopeloos gevallen ben. Het zou nobeler zijn te vallen voor een ouwe kater met doffe, korstige vacht en oormijtontsteking, maar jeugd, schoonheid en gratie winnen nu eenmaal altijd. Hoe dan ook, ik heb grootse plannen met dat siameesje. Plannen die aanvankelijk neerkwamen op een vliegreisje, maar - na telefonisch overleg met mijn twee Amsterdamse katten - gewijzigd zijn in behandeling bij de plaatselijke dierenarts en wegschenking aan de katminnende Spaanse buurvrouw. Er is slechts één probleem: de siamees valt niet voor míj. Hij moet niets van mensen hebben en laat zich met geen vinger aanraken.

Dan heeft hij echter buiten de kattenmepperstechnieken gerekend die ik aan de dag weet te leggen. Na drie dagen heb ik hem zover dat hij vliegensvlug iets uit mijn hand komt grissen, na vijf dagen rust die hand al op zijn rug en na een week hangt hij plotseling willoos aan zijn nekvel onder mijn jas.

Opgetogen als een kind met een pot stekelbaarsjes kom ik thuis, sluit alle ramen en deuren achter me, en zeg tegen mijn man: “Kijk eens wat ik heb!“

“Nee, hè?!“ roept mijn man. Tijd om vermurwd te worden door die blauwe ogen krijgt hij niet, want de kat is al onder een kast geschoten, vliegt vervolgens panisch langs de plinten en eindigt boven in de gordijnen. Wij gaan maar eten, dan kan hij een beetje tot rust komen. Later op de avond vlucht hij naar de keuken, schiet onder het aanrechtblok en komt niet meer tevoorschijn.

“Hoe wil je nou met hem naar de dierenarts, Brigitte Bardot?“ vraagt mijn man.

De volgende ochtend is het etensbakje in de keuken leeg, maar die blauwoog valt nergens te bespeuren, de hele dag niet - tenzij je op je buik op de keukenvloer gaat liggen, dan zie je in de verste hoek onder het aanrechtblok een ineengedoken hoopje kat dat blazend en grommend de zwabber aanvalt die hem binnen het bereik van het lieve, nieuwe vrouwtje wil dwingen. Tot er niets meer te zien valt, omdat hij zich achter het fornuis heeft verschanst.

De dag daarop is de situatie nog hetzelfde. Bakje leeg, kat onzichtbaar. Alleen stinkt het nu een beetje in de keuken. Mijn man informeert belangstellend naar wat de tactiek zal zijn. Over vijf dagen zitten we alweer in het vliegtuig, het zou toch aardig zijn als de buurvrouw voor die tijd aan haar protégé voorgesteld was.

Een dag en een vol etensbakje later is er een aanrechtkastje uit het blok gewrikt, teneinde de sluiproute achter het fornuis met een geïmproviseerd schot te blokkeren, maar poekiedoekie vliegt in volle vaart tegen het schot, klauwt zich omhoog en komt opnieuw achter het fornuis terecht. Daar ruikt het intussen vertrouwd.

De ochtend daarop lig ik met dikke tuinhandschoenen aan dwars over de keukenvloer op de plek waar het fornuis hoort te staan, terwijl mijn man met een stok achter het aanrechtblok port, tot de vechtende logé gegrepen kan worden. Hij bijt dwars door de handschoenen heen, maar ik laat niet meer los, duw hem een gereedstaande koelbox in (het enige vervoermiddel dat we kunnen vinden), doe het deksel dicht en verlaat met hem het huis.

Onderweg geeft hij geen kik, je hoort alleen zijn nagels langs de gladde binnenkant krassen, maar nauwelijks zijn we de kattenrots genaderd of hij zet het op een mauwen. En dat terwijl er net een groepje Engelse wandelaars aan komt lopen. Wat moet ik nu doen? Hier met een luid miauwende koelbox blijven wachten tot ze weg zijn?

Zo achteloos mogelijk haal ik het deksel eraf. Onmiddellijk schiet de kleine gevangene het struikgewas in. De Engelsen kijken geschokt toe.

“That's a very easy way to solve a problem...“, begint een van hen verwijtend.

De siamese uitvreter laat zich al niet meer zien.