John Donne is dood

Ik heb ze me altijd vrij letterlijk voorgesteld, de gevleugelde woorden. Ik zag ze vliegen: niet meer gebonden aan hun nest van papier, maar opgestegen en nu rustig wiekend boven onze hoofden. Langzaam door de lucht zwevende linten met hele zinnen erop, zoals de sleeptekst achter een reclamevliegtuigje. “Partir, c'est mourir un peu.' “Warte nur, balde ruhest du auch'. “April is the cruellest month'.

Veel van zulke gevleugelde dichtregels zijn met hun oorspronkelijke context te vinden in de door Menno Wigman en Rob Schouten samengestelde bloemlezing A thing of beauty. De titel is de eerste helft van een regel die de meesten nog wel vanzelf kunnen aanvullen met het vervolg: “is a joy forever'. Maar wie weet dat die regel van John Keats is? En wie kan zeggen uit welk gedicht het komt, en welke regel erop volgt?

Zo staan Dante, Shakespeare, Goethe, Shelley, Rilke, Baudelaire, Omar Khayyam en vele anderen hier bij elkaar, met hun bekendste gedichten. Daartussen bevinden zich voor mij trouwens ook de nodige onbekende gedichten, die ook na lezing en herlezing niet alsnog bekend willen worden. “El desdichado' van Gérard de Nerval. “The Gift', van Rabindranath Tagore. “Weltende' van Jakob von Hoddis. Mooie gedichten, maar ik zou niet weten hoe ze in dit boek terecht zijn gekomen.

Aan het eind van het boek verschijnt Joseph Brodsky. Ik heb wel eens wat van hem gelezen, maar ik zou zo geen gevleugelde regel van hem kunnen verzinnen. En welk gedicht zou nu zijn bekendste gedicht zijn? Ik zou denken aan “Dido en Aeneas' of “Ithaka'. Of, vanwege de verbinding met Nederland, aan de reeks over de schilder Carel Willink, of “Holland', of “Debuut' (gezongen door Herman van Veen) of “De herfstkreet van de havik', dat zoveel gemeen heeft met Nijhoffs “Het lied der dwaze bijen'. Of aan een van de gedichten uit de bundel Kerstgedichten, een bescheiden verkoopsucces, waarvan net een derde, uitgebreide druk is verschenen.

Het bekendste gedicht van Joseph Brodsky is blijkbaar zijn “Grote elegie voor John Donne', ruim tweehonderd regels lang. De beginnende dichter verplaatst zich in 1963, als hij 23 jaar is, en in een strafkamp in het hoge noorden van Rusland zit, in gedachten naar Londen, maart 1631. John Donne is net overleden. “John Donne is dood en alles slaapt rondom. / De muren, vloer, het bed, de schilderijen, / de tafel slaapt, de kleden, het plafond, / de linnenkast, de kaarsen, de gordijnen. / De fles, de kopjes, schalen. Alles slaapt.' Met de dood van de dichter is alles stil komen te staan. De wereld slaapt, het is nacht, er valt sneeuw, alles is stil. En de dichter gaat door met opsommen: “Nacht overal: in brandhout, kolen, roet/ in de gedoofde haard, in alle dingen./ In hoeken, ogen, klokken, beddengoed,/ in de voltooide preek, de woorden, zinnen.' En hij houdt maar niet op. Het lijkt wel een oud ritueel: met de dode sterft alles om hem heen, en de lijkredenaar moet dat voor ieder ding afzonderlijk bevestigen. Zijn blik gaat over de straat en de huizen en zo verder over het slapende Londen, het slapende zeilschip in de haven, de slapende krijtrotsen, de slapende zee. De hel en de hemel en ook God slaapt. Want “John Donne is dood'. Een kleine honderd regels lang, een indrukwekkende rouwstoet. Het heeft, door zijn sfeer van sneeuw en nacht en gewijde stemming, wel iets van het kerstverhaal, maar dan nu niet gericht op een geboorte, maar op een sterfgeval.

De dichterlijke neiging tot indikken is hier omgeslagen in de prozaïsche neiging tot opsommen en herhalen. Na 92 regels zijn we nog even ver als in het begin: “Alleen de sneeuw ruist in het diepe duister./ En geen geluid wordt op de aarde nog gehoord.' Daar had deze elegie kunnen eindigen, maar dan volgt nog een tweede deel. Een stem dient zich aan, weeklagend en fluisterend, ergens op de duistere velden. Het is de stem van de ziel van John Donne. Die mag nog even ronddolen tussen aarde en hemel, en hij mag nog even spreken, alvorens gescheiden te worden van het lichaam waar hij bij hoorde - als ik het goed begrijp. Na nog weer eens 50 regels is het juist het lichaam dat wenend moet achterblijven. En tien regels later hebben sneeuw en slaap juist de scheiding weer ongedaan gemaakt. Hier raakte ik eerlijk gezegd de weg kwijt. Ik zou niet durven zeggen of het vers nu eindigt met troost (slaap, sneeuw) of met een beeld van absolute eenzaamheid: de ziel die een verre ster aan de hemel is geworden.

Zou dit nu een van de bekendste gedichten uit de wereldliteratuur zijn? Niet dat ik weet. Zou het dan misschien één gevleugelde regel hebben opgeleverd? “Op wiens rad men deze wateren ook giet,/ het koren dat het maalt blijft toch hetzelfde.' Of: “Zijn leven kan men delen, ja. Maar wie/ zal ons de dood in willen vergezellen?' Het zou kunnen, maar ik heb het nog nooit iemand horen citeren.

Dit zoeken naar een gevleugelde regel in een gedicht van Brodsky herinnert aan Brodsky's eigen zoeken naar een gevleugelde regel in de poëzie van John Donne. Hij kende hem als de dichter van het motto voorin de roman For whom the bell tolls (1940) van Hemingway. Niemand is een eiland, niemand leeft geheel op zichzelf, zei Donne daarin. Iedereen maakt deel uit van een groter geheel, niemand sterft alleen voor zichzelf. Vraag dus niet voor wie de doodsklok wordt geluid (for whom the bell tolls), want hij slaat ook altijd voor jou (it tolls for thee). Brodsky vond het citaat niet terug, maar leerde zo, al zoekende, wel de poëzie van Donne kennen en vond er een aanleiding in om zelf bij de dood van Donne de doodsklok te luiden, al was het dan ook 333 jaar later. Luister ik goed naar Brodsky's elegie, dan is het vooral deze gevleugelde regel die ik erin mee hoor klinken. Ik heb de klok horen luiden en weet nu dat de klepel er ook hangt voor mij.

    • Guus Middag