Het leven als een lange huwelijksreis

Op 29 november werden in Christie's in Amsterdam een paar tekeningen van Roland Topor geveild. Een man die naar de sprookjesachtige naam Etienne Denneboom luistert had mij op de hoogte gebracht van deze veiling. Hoewel ik de heer Denneboom nooit werkelijk heb ontmoet, op een kort en twijfelachtig rendez-vous na tijdens een signeersessie in Harderwijk, wist hij kennelijk dat ik een aanhanger ben van Roland Topor.

Het aantal verzamelaars van Topor slinkt, en de brief van de heer Denneboom bevatte enkele alinea's (“Als je referenties wenst ten aanzien van mijn zakelijke betrouwbaarheid zal ik je die met genoegen geven.“) waardoor ik mij genoodzaakt zag een bod uit te brengen.

Wie een aanhanger beweert te zijn van deze of gene moet ook maar iets van hem kopen. Aangezien ik geen idee had hoeveel een tekening van Topor dezer dagen moet kosten, liet ik mij adviseren door de man met de sprookjesachtige naam.

We spraken een maximumbod af dat de heer Denneboom namens mij zou uitbrengen.

“Of en hoe je mij voor mijn tip wil belonen is aan jou“, had hij nog geschreven en voor dergelijke suggesties ben ik vatbaar.

Ik zie het zo: een derde van je leven verzamel je mensen die je diensten kunnen leveren die het belonen waard zijn. Een ander derde ben je bezig deze mensen te belonen. Het gaat bijna altijd om aardige en lieve dan wel bezienswaardige mensen. En het resterende derde deel ben je aan het schrijven om de beloningen tijdig uit te kunnen betalen.

Enkele van mijn kennnissen menen dat het ware doel van het bestaan op deze manier aan je voorbijgaat, dat je iets wezenlijks misloopt door de wereld als markt en strijd te zien, maar zo slecht is dit leven nog niet.

Ik was in Dublin toen de heer Denneboom mij berichtte dat ik de gelukkige eigenaar was geworden van een paar tekeningen van Topor.

Meteen maakte ik het geld over. Tegenwoordig ben ik graag punctueel.

Mijn appartement in de Harcourtstraat te Dublin, gezocht, gevonden en ook regelmatig bewoond door de moeder van mijn petekind die ik tegenwoordig gemakshalve “mijn vrouw' noem, bevalt me steeds beter.

Het hoogpolig tapijt loopt zacht, het matras is hard en de huisbewaarder, een dame met de naam Dolores, wast de lakens, zet de verwarming aan en is behulpzaam zonder vragen te stellen. Voor Kerstmis gaf ze mij een fles whisky met de boodschap: “Dat zul je wel lekker vinden. Ha, ha, ha.“

Alsof ze iets wist wat ik haar nooit had verteld.

Op een ochtend aan het eind van december had ik om kwart over negen in het Ambassade Hotel in Amsterdam met de heer Denneboom afgesproken voor overhandiging van de tekeningen.

In de ontbijtzaal zat ik tegenover een heer die ik kennelijk ooit in Harderwijk had ontmoet zonder dat ik me daarvan iets kon herinneren. Zijn verschijning was onopvallend maar verzorgd, en op een lichte en elegante kaalheid na vertoonde hij nauwelijks tekenen van verval. Toen ik hem vroeg of hij mee wilde ontbijten, antwoordde hij: “Lekker, een zacht gekookt eitje.“

Daarna hoorde ik dat mijn nieuwe zakenpartner jarenlang als croupier in het casino van Schevingen had gewerkt, tot hij tot de conclusie was gekomen dat hij zijn leven aan het vergooien was. Zijn Scheveningse jaren, zo stelde hij zelf, hielden het midden tussen een vergrijp en een zonde. Wat ik kon navoelen. Er zijn weken dat mijn leven zich lijkt te bevinden op het punt waar de zonde zachtjes tegen het vergrijp aanschuurt als een verlegen geliefde.

Na bestudering van ondere anderen Spinoza en Wittgenstein was Denneboom tot de conclusie gekomen dat de kunsthandel hem meer te bieden had dan het casino en hij richtte zich nu vooral op relatief onbekende meesters uit de negentiende eeuw.

Om tien uur zei ik tegen de heer Denneboom: “Laten we onze transactie afronden. Waar zijn de tekeningen?“

“Die zijn bij de receptie“, zei Denneboom. “Ik heb ze hier gisteravond al afgegeven. Ik was bang dat het vanochtend zou regenen.“

We gingen naar de receptie. Ik zei: “Er is hier gisteravond een pakketje voor me afgegeven.“

De receptioniste keek in mijn vakje.

“Nee“, zei ik, “een groot pak.“

“Er is niets voor u afgegeven.“

Ik bestudeerde de heer Denneboom die naast mij stond. Zijn gezicht verried geen enkele emotie. Als het iets verried was het een zekere keurigheid waaraan men geen verregaande conclusies dient te verbinden. Het oergezicht van de croupier.

Als wat ik nu dacht waarheid zou worden, kon ik alleen waardering opbrengen voor deze geniale en perfect uitgevoerde truc.

Helaas, ja ergens toch wel helaas, doken de tekeningen uiteindelijk op.

Nu zat ik met Topors werk in mijn hotelkamer. In New York ophangen was onmogelijk, daarvoor waren de muren daar te vol. Ik zou ze in Dublin kunnen ophangen, maar dan moest ik ze eerst naar Dublin transporteren.

Ik besloot ze tijdelijk in mijn jongenskamer in het huis van mijn moeder te bewaren, om dan later aan Marieke te vragen ze naar Dublin te brengen.

Eind november had ik in Dublin twee avonden doorgebracht met Marieke en bij die gelegenheid had ik haar het volgende voorstel gedaan: “Deze winter moet ik voor de derde en laatste keer naar Namibië, en ik zoek nog iemand in het bezit van het rijbewijs om mij daar rond te rijden. Heb jij een rijbewijs? En ben jij bereid mij deze winter een week of drie door de Kalahariwoestijn te rijden? Antwoord de tweede vraag eerst.“

Het antwoord luidde: ja.

Ik dacht, iemand die mij door Namibië wil rijden kan ook wat tekeningen van Amsterdam naar Dublin dragen.

Op tweede kerstdag om twaalf uur 's middags haalde ik met mijn chauffeur, Rob, Marieke op in Delft, waar zij woonachtig is.

Eerst zouden we twee dagen in Parijs verblijven om aan elkaars gezelschap te wennen, vandaar zouden we naar Windhoek vliegen om aan het serieuze werk te beginnen.

Men kan van Delft de trein nemen naar Parijs. Maar een auto met chauffeur leek me praktischer. En wie de herinnering aan zijn eigen jeugd langzaam voelt vervagen, dient zich te richten op het imponeren van hen die nog een vrijwel leeg geheugen hebben. Marieke stond klaar met een beschaafd koffertje, en een knuffelbeer van ongeveer zestig centimer.

Ze zei: “Laten wij elkaar elke middag om vijf uur evalueren.“

Zo reden wij naar Parijs, met de beer tussen ons in.

Mijn vrouw, die nog altijd in Bolivia verblijft, en die ik telefonisch op de hoogte houd van 't een en ander, maakte zich ongerust over de beer. Maar ik zei dat Marieke de leeftijd had waarop men zonder problemen met beren naar Afrika kon reizen.

“Dus ze is een aanwinst“, vroeg mijn vrouw.

“Ja“, zei ik, “Marieke is een aanwinst.“

Bovendien bleek ze over technische vaardigheden te beschikken. Toen mijn kofferslot het begaf wrikte ze dat open met haar zakmes, ze bleek een uitstekende smaak te hebben inzake manchetknopen en haar kusjes waren teder en heerlijk.

Voor het slapen deed ze haar bitje in, overblijfsel van een beugel. Een handeling die mij fascineerde en ontroerde. Ook met bitje bleven haar kusjes teder.

“Amante Marieke“, zei ik op het vliegveld van Parijs, “als we niet verliefd op elkaar zijn dan zijn we ontzettend goede acteurs.“

En toen we aankwamen in het hotel in Windhoek vroeg de receptionist: “Zijn jullie op huwelijksreis?“

Ik moest aan de woorden van mijn overleden vriendin Elayne denken, die had gezegd: “Arnon is de enige man die ik ken die telkens weer op huwelijksreis gaat, zonder ooit te trouwen.“

Misschien is dat het leven op het raakvlak van de zonde en het vergrijp, het leven zoals ik het graag zie: één lange huwelijksreis, de sociale verplichtingen blijven beperkt tot de verhuurder van de jeep.

De eeuwige huwelijksreis. Een woestijn zonder houdbaarheidsdatum.

    • Arnon Grunberg