Eeuwig op weg naar nergens

De foto's van Henri Cartier-Bresson, aan wie nu een overzichtstentoonstelling is gewijd, lijken ondoordringbaar. Pas na lang zoeken ontdekt Atte Jongstra een beeld dat iets onthult over het oeuvre: een blote voet van de fotograaf.

Als je het enorme fotografische oeuvre van Henri Cartier-Bresson op je in laat werken is er eerst het stadium van ademloze bewondering. God, wat mooi! Pas dan ga je je afvragen wat al die beelden met elkaar te maken hebben. Duizenden mensen in even zovele landschappen, overal ter wereld in uiterst bestudeerd licht op film vastgelegd. Waar was Cartier-Bresson immers niet, als fotografisch kunstenaar of als fotocorrespondent voor een van de vele bladen waarvoor hij werkte. China, Engeland, Ierland, Rusland, Spanje, Italië, Mexico, Duitsland, de Verenigde Staten, Portugal, Turkije, Egypte, Iran, Pakistan, India, Ceylon, Birma, Indonesië, Japan. We zien markante koppen aller landen, niet zelden in politieke of sociale overgangssituaties. Cartier-Bresson was bij de bevrijding van Parijs, de revolutie in China, fotografeerde een liquidatie in het criminele circuit in New York, een death row-gevangene die getuige voet en vuist door de traliedeur de spirits nog niet opgaf, krisdansers op het randje van extase, en zo voort, en zo verder.

Overgangssituaties. Hier schiet de misschien wel beroemdste foto van Cartier-Bresson in gedachten, al heeft deze niets met politiek of sociaal verkeer te maken. We zien een man die de reikwijdte van zijn sprong overschat als hij in 1932 achter het Parijse treinstation Saint-Lazare de overkant van een uitgestrekte waterplas probeert te bereiken. De natte landing is aanstaande, maar hij zweeft nog - op de drempel van lucht en water in de vlucht gevangen. Een ongelofelijk spannend beeld. Het “juiste moment' van afdrukken waarmee Cartier-Bresson legendarisch zou worden, natuurlijk. Maar óók een overgangssituatie. Zijn daar meer van? Ik pak de lijvige oeuvre-catalogus Henri Cartier-Bresson. The Man, The Image & the World erbij en begin te bladeren. Drie jongetjes op de drempel van licht en schaduw in een Romeinse buitenwijk, twee Belgen die met de neus tegen een zeildoek gedrukt proberen te zien wat zich daarachter afspeelt, twee Parijse gelieven liggend op een uiterste kaderand aan de Seine, een boerenarbeider te Tarascon (Frankrijk) die zich over een lichtdrempel spoedt, twee Mexicaanse lichtekooien die hun handelswaar presenteren door een deurluik heen, de Berlijnse Muur. Zeer veel trappen, kades, oevers, dakranden, kruispunten - je zou kunnen zeggen dat Cartier-Bresson de fotograaf is van wat in de biologie gradiënten heten: plekken waar het ene landschapstype in een ander overgaat en die een flora en fauna vertonen met karakteristieken die noch in het ene noch in het andere landschapstype voorkomen.

Badende buffel

Mooi, dat heb je dan bedacht. Hebben we inderdaad een lijn te pakken? Meteen komen de aarzelingen. Je ziet een Italiaanse fruitcompositie, een Romeinse kapper die in zijn winkeletalage eens over zijn kale kruin strijkt, een keizerlijk eunuch-Chineesje, een troep Castilliaanse padres in marsverband, een bruidswinkel te Manhattan, een vechtolifant die in een Indiase arena een slagtand in het hart van een collega zet, een badende buffel op Java, een bloot gemoed in de Gordel van Smaragd. God, wat mooi! Ik voel echter irritatie groeien. Er is iets onaanraakbaars, iets ondoordringbaars aan de foto's van Cartier-Bresson. Ik kan me dat gevoel alleen herinneren van het moment dat ik de lezing staakte van Vladimir Nabokovs Speak, Memory (1966). Zelden in zo'n perfect boek begonnen. Alles klopt. Taal in kleuren die het oog verblinden en geuren die geen neus verwerken kan. Sommige kunst slaat dood door pure schoonheid. Je staat aan the end of the road: als je al zou willen, op die weg kunt je niet verder komen dan de kunstenaar die je voorging.

In 1997 stelde Harry Mulisch voor het Amsterdamse Stedelijk Museum de tentoonstelling Zielespiegel samen. Een interviewer vroeg hem of hij werken had uitgezocht die hem “inspireerden', waarop Mulisch verbaasd reageerde.

“Welnee. Wat hier hangt is àf. Voor mij is er niets meer mee te doen.''

Zoiets. Met Cartier-Bresson verkeren we op de hoogste top van het fotografisch gebergte uit de twintigste eeuw. Je kunt alleen naar beneden kijken om nog iets menselijks te zien bewegen.

Overdrijf ik? Laten we het hopen, want ik weiger vooralsnog me de mond te laten snoeren door de schoonheid in het verbluffende retrospectief dat nu in het Amsterdamse FOAM Fotografiemuseum te zien is, of in de reusachtige hoeveelheid foto's die is afgedrukt in genoemde oeuvre-catalogus The Man, the Image & the World. Waar ging het Cartier-Bresson - the man om?

Wandelende Jood

De meeste mensen zijn ergens naar op weg. Ik ken een afstammeling van een onbekende negentiende-eeuwer, die eens op een Frans strand aanspoelde. Hij leek nergens vandaan te komen, kon zich zijn naam niet meer kon herinneren en werd daarom Nemo genoemd. Ook hij ging hij op weg, naar een nageslacht op zijn minst. De Nemo die ik ken is op weg naar een nieuwe uitdaging als onderwijzer en reist in zijn vrije tijd door de geschiedenis. Misschien komt het van het oude thema van de Wandelende Jood, ik weet het niet, maar ik ben altijd gefascineerd geweest door het beeld van de reiziger die een leven lang onderweg is. Aan het einde van zijn wandeling blaast hij in de berm aan een verlaten landweg de laatste adem uit en daar blijft hij: nergens. Het einde bereikt, van de weg van alle vlees. Of Cartier-Bresson het Nemo-verhaal interessant zou hebben gevonden betwijfel ik - te veel verhaal, te weinig beeld. Hij moet zich wel zo nu en dan een wandelende jood hebben gevoeld - over de aarde zwervend tot Christus' wederkomst. Terwijl Christus nimmer wederkeert, zoals wij allen weten.

De reiziger die uiteindelijk zomaar langs de weg nergens blijft: ik moet me al sterk vergissen als Cartier-Bresson dat beeld niet zelf heeft vastgelegd. Italië, 1933. We zien het in ruw linnen gehulde corpus van de fotograaf, die ruggelings op een vangrail van steen gelegen een eigen, barre voet geschoten heeft. Dit partiële zelfportret is op zich geen grootse foto - een afgrond met wat struiken, de doorgaande weg die een huis of drie passeert, niet veel meer. Maar ik ben er bijzonder blij mee. Even heeft de kunstenaar zich verwaardigd van de Olympus af te dalen, even hebben we contact. Ik begin nu in andere foto's op wandelaars te letten, mensen die zich voortbewegen. Ik zie wandelende joden, koetsiers die voorbij ratelen, langs zichtlijnen voortsnellende fietsers, op weg naar verdwijnpunten. Een sleep sloepen op een woelige Rijn, een Chinees die een Azië-kameel door een winkelstraat voert, een Japanner die de zwaveldampen van een vulkaankrater ontvliedt, een Javaan die ganzen drijft (waar gaat de wandeling naartoe?), een dode soldaat die in 1944 de Rijnbrug bij Straatsburg net niet haalde, tot en met de slapers langs de weg die zo dadelijk hun tocht ongetwijfeld gaan vervolgen. Mensen en route. Had ik het gezelschap Castilliaanse wandel-padres al genoemd? Ik dacht het wel.

Kunst. Tot dat gebied hoort Cartier-Bresson absoluut, hij is een meester. Zijn beelden lijken ondoordringbaar. Wat mooi! Je hebt de neiging weg te kijken. God nooit in het aangezicht kijken - de schepping voltooid, bijna niets meer mee te doen. Je moet je er in vechten.

Dan zijn er nog de onvergetelijke portretten die hij maakte van de schrijvers, schilders, beeldhouwers en collega-fotografen van zijn tijd. De schrijver François Mauriac, atoomwetenschapper Oppenheimer, Colette, Coco Chanel, Henri Matisse, Arthur Miller. Misschien is het nooit in de fotograaf zelf opgekomen, maar ik zie in al die geweldige portretten dezelfde figuren: mensen die op weg naar ergens of daar op zijn minst over nadenken. Cartier-Bresson bezocht in 1961 beeldhouwer Giacometti en legde hem drie keer lopend vast, eenmaal in een schitterend beeldrijm met genoemde foto van de boer te Tarascon die zich over een lichtdrempel spoedt - Giacometti passeert een schaduwdrempel.

Onvergetelijk is ook het beeld van de schrijver Paul Léautaud uit 1952, die met een hand boven de ogen de omgeving buiten het kader van de foto afspeurt, schijnbaar op zoek naar richting en doel. Faulkner doet hetzelfde (de blik op iets buiten de foto) maar zijn ogen staan sceptisch. Hij weet dat de dartelende hondjes achter hem zo dadelijk moeten worden uitgelaten, maar vooralsnog lijkt hij geen zin te hebben zijn tuin te verlaten. Ezra Pound werd op hoge leeftijd óók door Cartier-Bresson geportretteerd, hij zit in een fauteuil. Een weerbarstiger kop kun je je nauwelijks voorstellen. Hij kijkt verbeten in de camera. Die komt die dag niet meer overeind, dat zie je zo.

Heb ik mij schuldig gemaakt aan hineininterpretieren, zoals de Duitsers het noemen? Maar wat kun je als toeschouwer anders doen dan met een kunstwerk aan de haal gaan? Door je je voorbij de onaanraakbaarheid te vechten. Je kijkt deze fotografische God dus recht in het aangezicht en zegt:

,,Wat heb je nou eigenlijk gebakken, Cartier-Bresson? En hoe?''

Op die manier brengt men dit werk voor zichzelf tot leven, iedere kijker zijn eigen manier. Ik vond een wandelaar langs 's Heren wegen die mensen op weg vastlegde.

Tot Christus' wederkomst op aarde heeft Cartier-Bresson zijn tocht niet willen voortzetten. In 1970 trouwde hij met de fotografe Martine Franck, de vrouw met wie hij wortel wilde schieten. Hij hing zijn Leica aan de wilgen en keerde terug naar de bezigheid waar hij eens zijn carrière in de kunsten mee begon: tekenen. Of het klopt weet ik niet, maar ik kan de verleiding niet weerstaan te denken dat Cartier-Bresson zich rond 1970 die ene foto heeft herinnerd. 1933, zijn in ruw linnen gewikkelde corpus langs de weg gelegen. Zomaar, nergens. Op een foto uit 1990 zie ik hem doodstil tussen de lavendelstruiken zitten tekenen, in de buurt van zijn huis in de Provence. Geen wandelaar in zicht, hij is de beweging voorbij. Zijn mooiste potloodschetsen laten dierskeletten zien. De weg van alle vlees opnieuw, maar Cartier-Bresson kwam ver vóór zijn dood al ergens thuis.