Eerst bloemen, en dan slangen

Blackpool, de vierde roman van Peter Drehmanns, moet een feest geweest zijn om te schrijven. Neem een welbespraakte frustraat vol rancune en bitterheid als verteller, en alle remmen mogen los. Dan kun je de lezer eens goed laten ruiken aan “de beerput van laaghartigheid () die de werkelijkheid nu eenmaal is'. Dan schrijf je over de mannen in een Engelse pub: “Haast vertederend om te zien hoe mijn rivalen op de vleesmarkt hun leuter naar de mallemoer zopen', en over de vrouwen: “Bij die lallende loeders had de alcohol juist een omgekeerd effect: met elke slok begon hun gleuf meer te gisten'.

Peter Drehmanns Foto Ronald Hoeben Hoeben, Ronald

Aan het woord is de schandaaljournalist (specialiteit misdaad) Ugo Lo Floscio, een soort Italiaanse Willibrord Frequin met pen in plaats van cameraman, die zijn miezerige carrière uit het slop hoopt te halen met een onthullend stuk over de vrijgelaten Britse tiener-moordenaar Davie Smith. Deze Davie is het tweede personage dat - om het andere hoofdstuk - aan het woord komt; iemand met een minder bloemrijk vocabulaire (`Het waait megahard, niet te filmen gewoonweg') en met als stoplap: “Steek een paal in je reet'. Niet zo eloquent, maar toch ook niet te versmaden.

Van een tipgever heeft Ugo (stoplap “cacasangue') gehoord dat Davie, die acht jaar eerder een buurjongetje op gruwelijke wijze heeft omgebracht, in de badplaats Blackpool een nieuw leven is begonnen, onder een andere naam en met een veranderd uiterlijk. Daar gaat “het morele geweten van de gewone man' meteen achteraan, zij het met een geheime eigen agenda. Door dit onrecht aan de kaak te stellen en zichzelf te revancheren hoopt hij vooral zijn ex-geliefde Delia op haar nummer te zetten. Eindelijk gerechtigheid, eindelijk zal alles toch nog in orde komen.

Het vertrouwen in de goede afloop wordt zo vaak uitgesproken, dat je denkt: dat gaat mis. Maar een echec zonder meer is natuurlijk niet verrassend. Wat te doen? Ongeveer halverwege de roman dacht ik: als ik Drehmanns was, zou ik een literaire oplossing kiezen, ik zou de beide personages tegen het eind in elkaar laten overvloeien, met achteraf de vraag of ze niet altijd twee zijden van dezelfde medaille zijn geweest. Leve de schizofrenie!

Drehmanns blijkt een heel eind in deze richting te gaan, nadat Ugo zijn Davie in een suppoost van het Wassen Beelden Museum van Blackpool (Chamber of Horrors!)heeft herkend, maar hij geeft er een onverwachte draai aan, door in een plotselinge sfeer van verbroedering ook Ugo's ex Delia een onnatuurlijk einde (al dan niet gefantaseerd) te bezorgen. Voor een zieke geest als Ugo is het tenslotte acceptabeler dat hij haar heeft vermoord dan dat zij hem heeft gedumpt.

Toch is het geen goed teken dat je als lezer zo vlijtig zit mee te denken met de auteur, hoeveel lol die ook aan het schrijven mag hebben beleefd. Het kan een beroepsdeformatie zijn, maar misschien ligt het ook aan de roman dat de aandacht werd afgeleid.

Op het omslag wordt Blackpool ons aangeraden door A.F.Th. van der Heijden: “Lees de eerste zin, en je wordt bij je nekvel het verhaal ingetrokken. Een Céline van het computertijdperk'. Nu luidt de eerste zin: “Ik weet waar hij is' , en ik kan mij niet herinneren daarbij iets in mijn nekvel te hebben gevoeld. Ook wordt iemand nog geen “Céline van het computertijdperk' door in een roman gewelddadige, de kinderziel bedervende computerspelletjes een plaats te geven en door de stijl van Céline te imiteren. Dat laatste is trouwens sowieso af te raden, zeker nadat wijlen Louis Ferron het al zo uitbundig heeft gedaan.

Er zijn meer schrijvers aan wie ik moest denken. Aan A.F.Th. zelf bijvoorbeeld. Van de nu met een paar kale zinnen beschreven scène waarin Davie in de tienergevangenis met water en suiker wordt overgoten (resultaat: een “suikerspin'), had hij vast een grotesk monument van zoete pijn gemaakt. Of aan Marek van der Jagt alias Arnon Grunberg en de onnavolgbare combinatie van humor en waanzin in Gstaad 95-98. Vergeleken met dit gruwelsprookje doet Drehmanns maar alsof - het verschil tussen stoere taal uitslaan en talent voor literaire krankzinnigheid.

“Oké, op mij zit niemand te wachten', lezen we dapper op de eerste bladzijde. Hou dan je muil, zouden we in stijl kunnen reageren, maar dat hoeft nu ook weer niet. Blackpool is best onderhoudend. Het lijkt me alleen de goden verzoeken om je hoofdpersoon de Da Vinci Code (met nog slechts dertig pagina's te gaan) mee onder de douche te laten nemen, zodat de ontknoping onleesbaar wordt. Drehmanns, ondersteund door twee raadselachtige foto's aan het slot, lijkt ermee te zeggen dat zijn boek géén ordinaire thriller wil zijn. Dat is het ook niet. Helaas is het evenmin de hilarische en stiekem toch heel schrijnende roman over het hedendaagse kwaad geworden, die hem vermoedelijk wél voor ogen heeft gestaan.

Peter Drehmanns: Blackpool. Contact, 171 blz. , euro 17,90