Een nietige aartsvader

In Honderd Jaren, zijn boek over de staatkundige geschiedenis van Nederland tussen 1840 en 1940, wijdt P.J. Oud maar één pagina aan de zogeheten Lintjesaffaire, die het einde betekende van de invloed die Abraham Kuyper (1837-1920) decennialang op het politieke leven uitoefende. Het boek dat Jan de Bruijn, hoogleraar politieke geschiedenis aan de Vrije Universiteit nu over diezelfde Lintjesaffaire heeft geschreven, heeft echter alle kenmerken van een politieke thriller: chantage, manipulatie, bluf en een vleugje seks.

Als oprichter van het dagblad De Standaard (1872), stichter van de Antirevolutionaire Partij (1879), de Vrije Universiteit (1880) en de Gereformeerde Kerken (1892), geldt Abraham Kuyper als aartsvader van de gereformeerden. Maar Kuypers grote denk- en daadkracht had ook een achterkant. Zijn successen gaven hem het gevoel onkwetsbaar te zijn. Het was deze zelfoverschatting, gecombineerd met een flinke dosis ijdelheid, die ertoe leidde dat zijn politieke carrière eindigde op het moment dat hij een nieuwe start wilde maken.

Van 1901 tot 1905 was Kuyper minister-president geweest van een confessioneel kabinet. Groot was zijn teleurstelling, toen bij de verkiezingen van 1905 de rechtse meerderheid verloren ging. Kuyper maakte een lange reis rond de Middellandse Zee, waarover hij een tweedelig boek schreef. Maar daarna vond hij het tijd voor een comeback. Hij stelde zich kandidaat voor de Tweede Kamer in het district Ommen.

Tijdens de campagne van 1909 onthulde de Haarlemse liberale advocaat Pieter Tideman over informatie te beschikken dat Kuyper als minister-president 11.000 gulden had aangepakt in ruil waarvoor de gever een koninklijke onderscheiding had ontvangen. De Amsterdamse tabakshandelaar Rudolph Lehman had ten tijde van het kabinet-Kuyper een door hem felbegeerde ridderorde gekregen dankzij bemiddeling van de jonge, katholieke Mathilde Westmeijer (1874-1945), die nauwe betrekkingen onderhield met de premier. Ook Mathilde, die permanent boven haar stand leefde werd beloond. Ze kreeg een maandelijkse vergoeding van Lehman voor haar bemiddeling. Mathilde had zich verdienstelijk gemaakt bij Kuyper door fondsen te werven voor de verkiezingscampagnes van de ARP, waarvan de premier voorzitter was gebleven. Ze kwam zo regelmatig bij hem over de vloer, dat ze in katholieke kring in Haarlem als diens maîtresse werd omschreven. Hoewel voor die aantijging geen bewijzen zijn te vinden, wordt wel duidelijk dat sexy Mathilde mannen om haar vingers wond. Die contacten leverden haar in de loop der jaren vele duizenden guldens op.

De Bruijn doet uitgebreid verslag van de manier waarop Kuyper zich verweerde tegen de beschuldigingen, die door oppositieleider Troelstra in de Kamer welsprekend werden uitgebuit. Na lang zwijgen gaf Kuyper toe niet voorzichtig genoeg te zijn geweest ('het boetekleed ontsiert den man niet'), maar hij bekende geen schuld. Als voorzitter van de ARP had hij slechts geld voor de partij aangepakt. Troelstra's voorstel voor een parlementaire enquête werd door de Kamer verworpen.

De Bruijn geeft ook uitvoerig weer hoe Kuyper zich aan de herhaalde chantage door Mathilde probeerde te ontworstelen. Daarbij schuwde hij misleiding niet. Met medeweten van Kuyper werd Mathilde opnieuw financieel beloond in ruil voor een “vals getuigenis' tegenover de ereraad die een onderzoek naar Kuypers optreden instelde. In deze affaire bleek Abraham de Geweldige een nietig mens.

Jan de Bruijn: Het boetekleed ontsiert de man niet. Abraham Kuyper en de Lintjesaffaire (1909-1910). Bert Bakker, 323 blz. euro 24,90