De tijdgeest bestaat niet

Nederlanders houden nog het meest van gemoedelijke architectuur. Zadeldaken en bruine baksteen hebben het gewonnen van het modernistische bouwen. “Het wordt tijd voor een echt debat.“

De voorspelling is uitgekomen. In 1998 werd de neotraditionalistische architectuur in Nederland in deze krant een grote toekomst in het vooruitzicht gesteld. En zie: zeven jaar later heeft bijna elke Vinex-wijk een of zelfs meer buurten met sobere, traditionalistische woningen. Ook de wijkjes met splinternieuwe jaren-dertig-woningen zijn een succesnummer van projectontwikkelaars. Er lijkt een onuitputtelijke behoefte aan te bestaan. Hun aantal is inmiddels niet meer te tellen en er komen er ieder jaar meer bij. En de Luxemburgse postmodernist Rob Krier bouwt na zijn inmiddels beroemde nieuwe vestingstadje Brandevoort bij Helmond gestaag verder aan een imposant traditionalistisch oeuvre in Nederland, variërend van complete Vinex-wijken tot palazzo-achtige appartementencomplexen in steden als Lelystad.

Maar het succes van het neotraditionalisme heeft een keerzijde. Nu er in heel Nederland zo veel gebouwen in “nieuw-oude stijl' zijn gebouwd, blijken ze verrassend vaak op elkaar te lijken. Zo is het nu net zo moeilijk om al die pseudo-jaren-dertig-wijkjes uit elkaar te houden als, zeg, de berucht eenvormige Nederlandse buitenwijken uit de jaren zestig en zeventig. Hetzelfde geldt voor de donkerbruine herenhuizen die de laatste jaren overal zijn opgedoken. De huizen langs de straten op Eiland nummer twee van de Hoofddorpse Vinex-wijk Floriande, ontworpen door Mulleners + Mulleners architecten, lijken met hun zwarte pannendaken en kloeke hoekpanden sterk op een lange rij woningen die je een kilometer of honderd verderop kunt tegenkomen in Vathorst in Amersfoort. Op hun beurt doen de Amersfoortse huizen denken aan die in een straat in Schuytgraaf, de Arnhemse Vinex-wijk. Zo leert een tocht door Vinex-wijken dat er een formule voor neotraditionalistische rijtjeswoningen is ontstaan: maak de gevels van donkere baksteen, geef ze zadeldaken van zwarte pannen en zorg met bijvoorbeeld erkers en verschillen in de richting van de kappen voor lichte variaties, zodat het lijkt alsof de huizen niet in één keer zijn gebouwd, maar in de loop van de tijd door verschillende opdrachtgevers.

De eenvormigheid van het Nederlandse neotraditionalisme heeft geleid tot een vreemde paradox. Want toen het neotraditionalisme acht jaar geleden aarzelend opkwam, hadden de aanhangers ervan juist de pretentie dat hun architectuur zou zorgen voor eigen, herkenbare plekken in een wereld waar alles, van vliegvelden en snelwegen tot shopping malls en woonwijken, steeds meer op elkaar ging lijken. Tot op zekere hoogte was het neotraditionalisme in de jaren negentig een reactie op het wereldberoemde Nederlandse “supermodernisme'. Nederland stond toen bekend als het “modernste architectuurland ter wereld', waar de toekomst van de bouwkunst was te zien. In het kielzog van Rem Koolhaas werkten toen veelal jonge “supermodernistische' architecten aan de vormgeving van wat wel de “tweede moderniteit' wordt genoemd, zo viel te lezen in de vele speciale nummers die buitenlandse tijdschriften aan het Nederlandse architectuurwonder wijdden.

Globalisering

Een van de verklaringen die acht jaar geleden werden gegeven voor de opkomst van het neotraditionalisme in Nederland was de globalisering. Terwijl “supermodernistische' architecten als Rem Koolhaas en MVRDV bogen voor de Zeitgeist en het tijdperk van de globalisering passend vorm gaven met “fuck-the-context'-gebouwen die overal op de wereld zouden kunnen staan, ontwierpen de neotraditionalisten juist “fuck the Zeitgeist'-gebouwen. Het neotraditionalisme voorzag in de behoefte aan een eigen plek en een herkenbare identiteit. En deze behoefte zou, zo was de veronderstelling in 1998, alleen maar groter worden naarmate de gevolgen van de globalisering en de digitalisering van de wereld zich sterker deden voelen.

Daar kwam nog bij dat woningbouwers omstreeks de laatste eeuwwisseling steeds meer rekening gingen houden met de wensen van bewoners. Dit was het gevolg van de grote veranderingen in de Nederlandse woningbouw van tien jaar geleden. Vóór de jaren negentig van de twintigste eeuw werd het grootste deel van de Nederlandse woningbouw verzorgd door woningcorporaties en woningbouwverenigingen die door de staat werden gefinancierd. Die hadden een voorkeur voor “verantwoorde', moderne architectuur, oftewel “staatsarchitectuur' zoals de nu geëmigreerde architect Carel Weeber het noemde. De wensen van de huurders speelden nauwelijks een rol. Maar in 1994 werden de woningbouwverenigingen verzelfstandigd. Sindsdien zijn het de commerciële projectontwikkelaars die het grootste deel van de woningbouw voor hun rekening nemen. Zeker nu de woningen moeilijker verkoopbaar zijn dan in de hoogtijdagen van de interneteconomie, spelen zij met hun producten meer in op de wensen van huurders en kopers. En die hebben, zo denken veel projectontwikkelaars op basis van onderzoek, meestal een voorkeur voor traditionele architectuur.

“Wat ook een rol speelt bij het succes van het neotraditionalisme is dat Nederlanders meelopers zijn“, zegt Sjoerd Soeters in zijn huis aan de Prinsengracht in Amsterdam. Als “enige postmoderne architect' van Nederland schuwde Soeters historische verwijzingen twintig jaar geleden al niet. “Er bestaat in Nederland een merkwaardige combinatie van grote consensus én plotselinge omslagen in de publieke opinie. De Amerikaanse historicus James Kennedy heeft een paar jaar geleden gewezen op deze merkwaardige combinatie in verband met de Nederlandse houding tegenover allochtonen. Eerst was de algemene houding dat er niets ten nadele van allochtonen mocht worden gezegd en na Fortuyn worden ze meer verketterd dan waar ook in Europa. Zoiets zie je ook met het neotraditionalisme. Eerst was het taboe in Nederland, nu willen opdrachtgevers bijna niets anders.“

Een van de oorzaken van de eenvormigheid van neotraditionalistische gebouwen is dat veel architecten een voorkeur hebben voor slechts een heel klein deel van de architectuurgeschiedenis. Dit is een internationaal verschijnsel, zo beweerde de Duits architectuursocioloog Werner Sewing in oktober tijdens het symposium “Het nieuwe traditionalisme en het oude modernisme' in Felix Meritis in Amsterdam. Overal in de westerse wereld hebben neotraditionalistische architecten een voorkeur voor de stijl aan het einde van de achttiende eeuw. “Teruggrijpen op de Middeleeuwen is onmogelijk“, zegt Sewing over de telefoon vanuit Berlijn. “En met de Renaissance kunnen we ook niet veel beginnen, die staat toch ook te ver van ons af. Maar de tijd van omstreeks 1800, de tijd van de Biedermeier in Duitsland en het bakstenen classicisme in Nederland, spreekt ons wel aan. Het is de tijd van de Gemütlichkeit waar velen nu zo naar verlangen, van het goede burgerlijke leven. Het is ook, als we de architect Paul Mebes en Paul Emmerich mogen geloven die een eeuw geleden het boek Um 1800 publiceerden, de laatste periode waarin ambachtelijkheid op een hoog niveau stond. Na 1800 was het volgens hen door de industrialisering met het ambachtelijke bouwen alleen maar bergafwaarts gegaan.“

Het Nederlandse neoclassicisme van eind achttiende eeuw was een sobere bouwstijl met een spaarzaam gebruik van ornamenten. Het Maagdenhuis op het Spui in Amsterdam, ontworpen door Abraham van der Hart, is er met zijn vlakke bakstenen muren en ramen zonder omlijstingen een mooi voorbeeld van. “Biedermeier en het Nederlandse neoclassicisme hebben moderne elementen in zich“, zegt Sewing. “Beide stijlen hebben minimalistische kanten. Dit verklaart misschien ook wel hun aantrekkingskracht op huidige neotraditionalistische architecten die hun carrière vaak toch zijn begonnen als modernisten.“

Wilfried van Winden, een van de architecten van het “radicaal-eclectische' bureau Molenaar en Van Winden, bevestigt deze verklaring. “Er bestaan nu Nederlandse architectenbureaus die in een moderne stijl én in een traditionele stijl werken“, zegt hij in een in paars en blauw geschilderde kamer in zijn bakstenen school in Delft waarin het bureau is gevestigd. “En dan zie je dat ze vaak traditionele ontwerpen maken op een modernistische manier. Dus zakelijk, strak en met zo min mogelijk ornamenten.“

Elkaar nadoen

Een andere oorzaak van de gelijkenis tussen de verschillende neotraditionalistische gebouwen is, zegt Van Winden, “dat architecten net mensen zijn: ze doen elkaar na. De tijdschriftencultuur in de architectuur vergemakkelijkt dit. Die staan vol plaatjes van gebouwen en ontwerpen, vaak zonder kritisch commentaar.“

Sjoerd Soeters stelt vast dat veel neotraditionalisme in Nederland heel oppervlakkig is. “Veel neotraditionalistische gebouwen komen op een ondoordachte manier tot stand. Dat nu bijvoorbeeld veel woningen worden uitgevoerd in donkere bakstenen, hebben we te danken aan het Piraeus-gebouw van de Duitser Hans Kollhoff in Amsterdam. Dit donkere gebouw uit 1994 heeft diepe indruk gemaakt op de Nederlandse architecten. En dus zie je nu heel veel architecten gebouwen met gevels van donkere bakstenen maken met diep teruggelegde ramen, alsof het oude, verbouwde fabrieken zijn. Zo wordt het allemaal wel erg somber. Terwijl de Nederlandse bouwtraditie juist bakstenen kent in allerlei kleuren, ook lichte. En ramen hebben in veel oude Nederlandse huizen mooie witte kozijnen of zelfs witte omkaderingen. Ze zijn meer dan een gat, ze zijn de oogleden, de wimpers van een gebouw.“

Joris Molenaar vindt dat “veel hedendaagse architecten een groot gebrek aan kennis hebben over traditionele en historische architectuur.“ Dat is volgens hem niet zozeer het gevolg van het feit dat de traditionele architectuur uit de architectuurgeschiedenis is verdwenen, zoals Hans Ibelings in zijn boekje Onmoderne architectuur: hedendaags traditionalisme in Nederland constateerde. “Er zijn genoeg andere bronnen over traditionele architectuur“, zegt hij. “Bovendien heb je ook je eigen ogen. Voor mij is elke onbekende stad een ontdekking. Laatst was ik bijvoorbeeld in Hilversum, in de omgeving van Dudoks Raadhuis. Daar staan prachtige villa's van omstreeks 1900 die laten zien dat Nederland een schitterende traditie van villabouw had.“

Maar Soeters neemt zelfs het woord hersenspoeling in de mond om het gebrek aan kennis van traditionele architectuur te verklaren. “Vakbladen, opleidingen, critici en een instelling als het Nederlandse Architectuurinstituut zijn nog steeds eenzijdig gericht op vernieuwing en op de avant-garde“, vindt Soeters. “Dat is trouwens een verschijnsel dat zich niet beperkt tot de architectuur. Ook de geschiedenis van de beeldende kunst wordt meestal beschreven als een aaneenschakeling van vernieuwingen. Hierdoor kregen in Amerika na 1945 abstracte schilders als Jackson Pollock veel aandacht en werd het werk van een figuratieve schilder als Edward Hopper lange tijd nauwelijks tentoongesteld. De nadruk op vernieuwing is ook nog altijd een erfenis van de Tweede Wereldoorlog: de nazi's deden de moderne kunst en architectuur in de ban en hierdoor werden na de oorlog juist de traditionalistische kunst en architectuur gezien als “fout'. In de architectuur bestaat er in de spraakmakende gemeente een grote overeenstemming over wat “goed' en “fout' is. Goed en fout - in die termen gaat het echt. Alsof het een geloofskwestie is: vernieuwing is goed, traditionalisme is fout. Het is heel erg calvinistisch, alsof er een genootschap van zware dominees bestaat dat andersdenkenden in de ban doet.“

Door deze strikte tweedeling tussen “goed' en “fout' komt het niet tot een debat over architectuur, laat staan over het gebruik van traditie in de architectuur. “In de Nederlandse architectuur gaat het daarom alleen om de vorm“, zegt Soeters. “Om in calvinistische termen te blijven: het gaat er slechts om of je een zwart pak aan hebt of niet. Zet je, zoals MVRDV, een knal oranje doosje op een binnenterrein van een oud woningblok neer waartegen de hele buurt in opstand komt, dan volgt artikel op artikel en kom je uiteindelijk in het Architectuurjaarboek terecht. Als je een aangenaam buurtje ontwerpt met rustige bakstenen huisjes met een pannen dak, heggetjes en tuintjes, hoef je niet te rekenen op aandacht in de bladen. Terwijl het wat mij betreft om het laatste gaat: hoe kun je comfortabele architectuur maken waar de meeste mensen zich thuis voelen.“

Om het niveau van het architectuurdebat te illustreren vertelt Soeters over een bustocht die hij voor architecten en ontwerpers organiseerde naar Haverleij, de door zijn bureau ontworpen Vinex-wijk bij Den Bosch. Haverleij wijkt af van alle andere Vinex-wijken doordat de bebouwing niet over het hele gebied bij de Maas is verspreid, maar wordt geconcentreerd in negen kasteelachtige complexen van elke zo'n 200 woningen met daarbij een vestingstadje. Tussen de kastelen bevinden zich openbare groene gebieden die afwisselend als park, golfbaan en bos dienst doen. “In een interview had de nieuwe rijksbouwmeester Mels Crouwel gezegd dat hij de “historiserende kant' van mijn werk “verschrikkelijk' vond“, vertelt Soeters. “Ik heb hem toen opgebeld en gevraagd of hij en de andere rijksadviseurs over landschap en infrastrucuur eens wilden komen kijken in Haverleij. Om het eens met eigen ogen te zien. Daar aangekomen, weigerde een van de rijksadviseurs de bus te verlaten. Hij is er de hele tijd in blijven zitten. Hij bleek niet eens bereid om Haverleij in het echt te bekijken.“

Volgens Werner Sewing staat het gebrekkige debat in de Nederlandse architectuur niet op zichzelf. “Berlijn stond in de jaren negentig in het teken van het traditionalisme, zou je kunnen zeggen“, legt hij uit. “Voor nieuwbouw golden in grote delen van Berlijn strenge regels, die ervoor moesten zorgen dat Berlijn weer een stad in de oude, Europese traditie werd. Daar ging een harde strijd aan vooraf tussen traditionalistische en avant-gardistische architecten. Rem Koolhaas verliet hier bijvoorbeeld woedend een jury voor een grote bouwopgave. Sindsdien spreken traditionalisten en avant-gardisten niet met elkaar en mijden ze elkaar hier in Berlijn als de pest. Maar de tijd dat het neotraditionalisme kon worden genegeerd is voorbij. Niet alleen in Berlijn en Nederland, maar ook in Amerika zie je dat de neotraditionalisten de modernisten in de verdediging of zelfs in de marge hebben gedrukt. Het is hoog tijd voor een echt debat.“

Dit debat zou volgens Molenaar en Van Winden in ieder geval niet moeten gaan over de vraag in welke stijl moet worden gebouwd: “traditioneel' of “modern'. “Traditioneel en modern zijn voor ons achterhaalde categorieën“, zegt Molenaar. “We leven niet meer in een wereld met één overheersende cultuur die een bepaalde soort architectuur dicteert. Hét kenmerk van de huidige cultuur is grote diversiteit. En ik zie de diversiteit eerder toe- dan afnemen. Je moet bouwen in de stijl die bij de plek en de opdrachtgever past.“ Ook het vaak gehoorde argument dat een architect geen traditionalistische ontwerpen kan maken omdat dit “oneigentijds' is, wil Wilfried van Winden dan niet horen. “De tijd eist helemaal niets“, zegt Van Winden. “Of beter gezegd: het idee dat een tijdgeest iets zou dicteren, is een tautologie. Alles wat nu gebeurt en wordt gemaakt, is eigentijds. Daarom is ook de hang naar het oude, die je overigens niet alleen in de architectuur ziet maar op allerlei terreinen, heel eigentijds.“