De overheid, dat zijn wij

De Duitse socioloog Ulrich Beck vond het woord Risikogesellschaft uit in 1986, maar pas door de gebeurtenissen die daarna plaats hadden verkreeg dat begrip zijn maatschappelijke weerklank. Tussen Tsjernobyl en de Twin Towers maakte een flink aantal rampen, aanslagen en tegenslagen duidelijk dat een wereld zonder risico's een onmogelijkheid is.

Dat inzicht kwam hard aan, want tot dan toe koesterden veel mensen de illusie dat door de inspanningen van overheden en dankzij wetenschap en technologie steeds meer gevaren onschadelijk of tenminste beheersbaar konden worden gemaakt. Dat bleek steeds minder waar. Aan de ene kant werd duidelijk dat er grenzen zijn aan de mogelijkheden om bestaande risico's als ziekte en dood terug te dringen. Aan de andere kant kwamen er risico's bij waarvoor de overheden helemaal niet waren toegerust, zoals ontploffende kerncentrales, de stijgende zeespiegel en het internationaal terrorisme.

In het bundeltje Leven in de risicosamenleving dat onder auspiciën van het Nederlands Gesprek Centrum verscheen schrijft een tiental experts over de gevaren van de moderne samenleving en hoe daarmee om te gaan. Het is een interessant boekje geworden, met korte, leesbare artikelen. Wel begin je gaandeweg te twijfelen aan de waarde van dat begrip risicosamenleving. De Duitse filosoof Rüdiger Safranski wijst er (in een interview) op dat je net zo goed van een veiligheidssamenleving kunt spreken: nog niet eerder immers hebben zoveel mensen zo lang in een veilige wereld geleefd. Maar dat brede gevoel van onveiligheid dan, werpen zijn interviewers tegen. “Hoe hoger de graad van veiligheid, hoe groter het gevoel bedreigd te zijn', antwoordt Safranski. Omdat we in zo'n relatieve veiligheid leven, zijn we aan werkelijke dreiging steeds minder gewend, en dat scherpt ons gevoel voor mogelijke dreiging.

Het is een van de paradoxen die met dat begrip risicosamenleving samenhangen. Een andere paradox heeft betrekking op de rol van de overheid. Overheden danken hun legitimiteit voor een groot deel aan de bescherming die ze de burgers bieden, maar, zegt wetenschapsfilosoof Gerard de Vries, nu de huidige samenleving zoveel ingewikkelder geworden is, spreekt de overheid de burgers steeds vaker aan op op hun eigen verantwoordelijkheid. De overheid individualiseert dus de risico's, terwijl de klassieke opvatting van de overheidstaak juist de collectivisering van de risico's is.

Filosoof Marjolijn Drenth von Februar signaleert de terugkeer van het lot: het besef dat de overheid niet alle ellende kan voorkomen en dat de burger zo nu en dan zijn lot maar moet aanvaarden. Ook de minister van volksgezondheid kan niet voorkomen dat mensen doodgaan. Maar Drenth verzet zich tegen het fatalisme waartoe die opvatting kan neigen en wijst erop dat het onvruchtbaar is te denken in termen van de overheid en de burgers als gescheiden werelden. De burgers “bevolken' de overheid immers, ze zijn niet alleen maar slachtoffers, maar ook bestuurders, juristen, artsen en beschermers. De overheid, dat zijn wij, zegt Drenth eigenlijk, en daar heeft ze groot gelijk in. Door dit soort verstandige gedachten beseft de lezer dat het woord risicosamenleving zeker een functie heeft om het denken over maatschappelijke risico's op gang te brengen, maar dat het als karakterisering van de tijd waarin we leven toch van beperkte waarde is.

Hans Boutellier e.a.: Leven in de risicosamenleving. Amsterdam University Press, 94 blz. euro 14,50

    • Warna Oosterbaan