De onderwereld van Antonin Artaud

Antonin Artaud schreef in zijn gedicht zwarte dichter': je pen krast in het hart van het leven. Voor de dichter Artaud zelf is dat nog zacht uitgedrukt, want voor hem viel de pen met het leven samen. Daar waren anderen werken aanbieden, wil ik niets anders dan mijn geest laten zien./ Leven is het verbranden van vragen, schreef hij. En: Wat jullie voor werk hielden, waren alleen schillen van mijzelf, het afval van de ziel waar geen mens iets in ziet.

Antonin Artaud (1896-1948), écrivain français. France, vers 1930. MART-267 © Martinie / Roger-Viollet

De eerste zin komt uit in L'Ombilic des Limbes (Navel der Onderwereld), de tweede uit Le Pèse-Nerfs (de zenuwweegschaal) - beide uit 1925. Met deze werken werd Artaud in een klap een belangrijke vertegenwoordiger van het surrealisme, dat rond de Eerste Wereldoorlog de kunsten vernieuwde. Veel surrealistische dichters hebben uit hun onderbewustzijn een parallel universum geschapen, waar de lezer zich kan laten betoveren door ongekende beelden, klanken, kleuren en betekenissen. Artaud doet alleen verslag van zijn reis door zijn innerlijke onderwereld - en hoe.

De werken - een bundeling van poëzie, proza, brieven en theaterteksten - zijn de neerslag van écriture automatique'. Deze indertijd vaak toegepaste associatieve schrijfmethode leidt tot brokkelige teksten en veelal ontsporende zinnen, die bij Artaud desondanks glashelder zijn. Ze verbeelden een duistere wereld vol levend vitriool en vrouwen met mooie kutjes/wier stoffelijke overschotjes/ hun mummies de wikkels afdoen. De lezer dwaalt door de bloedvaten, de darmen, de schedel en de ledematen van Artaud, die zelf meldde: Ik ben een en al afgrond.

Die afgrond is te vatten in twee woorden, die voortdurend opduiken: angst en pijn. Angst de verwekker van gekken. [] Angst die de navelstreng van het leven afknijpt, schreef Artaud in een brief aan de wetgever', die in 1916 de opiumdistributie aan banden had gelegd. Deze aangrijpende brief beschrijft zo helder het wezen van de verslaving en het zelfbeschikkingsrecht van de verslaafde dat hij vandaag de dag onveranderd kan worden afgedrukt als een pleidooi voor de legalisering van drugs.

Door een hersenvliesontsteking in zijn kleutertijd had Artaud een leven lang hoofdpijn, die hij bestreed met opium. Zijn echte pijn was echter groter dan de hoofdpijn, de pijn was de fysieke beleving van zijn angst en van zijn verlies aan wat hij luciditeit' noemde. Artaud leed lichamelijk onder de kloof tussen zijn gevoelswereld en de taal, de bast van woorden' die niet in staat was zijn gedachtestroom te vatten. Taal kon een groot gat in zichzelf niet dichten, geen contact maken met zijn diepere wezen.

Deze gespletenheid van de moderne mens' beschreef Artaud eerder en pregnanter dan bijvoorbeeld zijn landgenoot Sartre, die er zijn existentialistische filosofie op bouwde. Het leverde hem zelf niets op, stelde Artaud bitter vast. Maar zijn vergeefse poging om het hart van het leven en de pen te laten versmelten, laat wel zien wat taal vermag.