“De euforie duurt nooit lang'

Weinig dichters zijn zo neergesabeld als H.C. ten Berge. Maar zijn oeuvre is wel net bekroond met de P.C. Hooftprijs. Een gelukkig mens, noemt hij zichzelf nu, zij het dat hij vrijer zou willen zijn bij het dichten en zich nog steeds te veel zorgen maakt over deze “geschonden planeet'.

H.C.ten BERGE,auteur. PC Hooftprijs winnaar 2006.foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Zutphen,29 december 2005 Mentzel, Vincent

De sneeuw is gesmolten, bij het tuinhuisje in Zutphen. “Vanmorgen was het nog wit, maar met de zon erbij gaat het snel.“ Sneeuw en kou hebben vanaf het begin een belangrijke rol gespeeld in het oeuvre van de dichter H.C. (Hans) ten Berge (1938), wiens werk kort voor kerst werd bekroond met de P.C. Hooftprijs. Eenenveertig jaar geleden begon zijn debuut Poolsneeuw met de regels “In de koude van de winter verkropt,/ als blad beweegt zich mijn woord.'

Sindsdien bevatten al zijn bundels wel een aantal gedichten die zich in winterse landschappen afspelen, zoals ook de personages in zijn romans geregeld in een sneeuwbui belanden. “Ik ben een klimaatgevoelig mens. Als tiener ben ik eens 's nachts met een paar vrienden na een sneeuwstorm naar buiten gegaan. Als je dan door een onbetreden landschap loopt, dan krijg je vormen in je hoofd waarvan je denkt: dit is waar het om gaat. Landschappen en seizoenen... Daar hoeft niet per se kou bij te horen, maar sneeuw geeft een helderheid, waardoor zich op sommige momenten een soort euforie van je meester kan maken.“

De esthetische, soms euforische ervaring in het landschap, in de verbeelding en in de werkelijkheid, keert steeds weer terug in het gesprek met Ten Berge. Maar heeft hij het voldoende uitgelegd? Vier dagen na het interview stuurt hij nog een e-mail: “Ik heb het gevoel dat ik te weinig heb opgemerkt over het evenwicht tussen kennis en ervaring. De ervaring, die gaandeweg steeds belangrijker is geworden, was in de begintijd nog onvoldoende opgedaan om een balans tussen leven en lezen tot stand te brengen. Vandaar waarschijnlijk het odium van ,,intellectualisme'' dat aan mij is blijven kleven. Ik schaam mij er allerminst voor een zogenaamde intellectueel te zijn, maar een ,,intellectualist'' ben ik zeker niet. Het erotisch bewustzijn, de passie, het vuur (desnoods onder de koeling van een polaire deklaag) zijn in het hele werk zichtbaar. Ik mag dat althans hopen.'

Zoals een hang naar sneeuw en helderheid typerend is voor de dichter Ten Berge, zo is het e-mailtje met aanvullingen typerend voor de twijfel die hem kan bevangen in zijn omgang met de buitenwereld. Hij ontvangt zijn bezoek in een huisje dat hij huurt op een steenworp afstand van de IJssel in Zutphen. Het is er stil, omdat het kerstvacantie is. Het weidse achteruitzicht zal plaatsmaken voor een nieuwbouwwijk en de bouw levert veel lawaai op. De oud-leraar is vriendelijk en een beetje voorzichtig. Hij beweegt zich ondanks zijn lengte soepel onder het lage plafond, met weloverwogen bewegingen. Zoals hij met zorg spreekt, met soms een twinkeling in de ogen om het een of ander te accentueren.

Ten Berge is het tegendeel van de “zorgeloze slordigheid' die hij ooit formuleerde om het werk van zijn vriend Bert Schierbeek te karakteriseren. Dat heeft veel te maken met de weinig vleiende etiketten die hij in de loop der jaren opgeplakt heeft gekregen - en die pas de laatste jaren weer van hem losgeweekt worden. Hij heet een ernstige dichter te zijn, een intellectueel en een mopperaar ook. Sinds hij in 1967 het tijdschrift Raster oprichtte en jarenlang in zijn eentje bestierde, fungeerde hij vaak als kop van jut. Pas sinds hij in 1996 de Constantijn Huygensprijs kreeg, werd de waardering algemener. Die ging gepaard met een geleidelijke overgang naar een minder compacte en minder vormvaste manier van dichten. Hij is explicieter geworden in zijn recente poëzie, en lyrischer, zonder dat zijn werk eenduidig wordt. Waar een stille hang naar tijdloosheid altijd al een van de achterliggende thema's in Ten Berges poëzie was, maakte hij die in zijn laatste bundel Het vertrapte mysterie steeds explicieter, bijvoorbeeld in de regels: “Je wilt het heden betrappen/ terwijl het al niet meer bestaat./ Tijd is een passage, een gesloten/ loket waar je steevast te laat - '

Ten Berge wil niet meer mopperen, hoewel hij het zichtbaar moeilijk vindt om niet te lang door te praten over misstanden die hem aan het hart gaan, zoals de verdwijning van de natuur in Nederland en daarbuiten, de teloorgang van het onderwijs, de onbeschoftheid van de Hollander in het algemeen en de bijna-ondergang van zijn vorige uitgeverij Meulenhoff.

Tweemaal leest hij een van zijn gedichten helemaal voor. Beide keren gaat het om gedichten die niet de ernst, maar de lichtheid en de passie moeten benadrukken. Uit het openingsgedicht van Het vertrapte mysterie benadrukt hij de regels “Dat je begint, telkens/ weer, terwijl je er zelf niet toe doet'.

Het andere gedicht dat hij voorleest is “Amstelstation 7.1.76 / 9.15 uur' met de regels “Jij overheilig wijf,/ je bent in alles/ wat ik schrijf aanwezig.' Het gaat over wat hij beschouwt als de grootste invloed op zijn werk, de dertiende-eeuwse dichteres en mystica Hadewijch: ,,Als er iemand een winterse dichteres was, dan was zij het. “Ay, al es nu die winter cout, Cort die daghe ende die nachte langhe'. Dat kwam hard aan op mijn zestiende. Het heeft jaren op mijn bureau gestaan. Het gedicht “Amstelstation' is mijn liefdesverklaring aan haar. Wat mij erin boeide was de vermenging van de kou, in combinatie met een tijd die ver weg was en waar toen veel minder over bekend was dan nu, de Middeleeuwen. Ik ben altijd gefascineerd geweest door het gevoel boven jezelf uitgetild te worden, dat bij de mystiek hoort. Daarbij moet je wel waakzaam zijn voor zelfbedrog, het gevaar is natuurlijk dat je verzandt in etherische halfslachtigheid. De mystiek moet met beide benen in de aarde staan.“

Ten Berges fascinatie voor het mythische bracht hem er onder meer toe mythen en fabels van verschillende volken te onderzoeken, zoals de Inuit en de Azteken, en het werk van een Spaanse mysticus als Juan de la Cruz te vertalen. “Er zijn verschillende manieren om tot een bepaalde, euforische ervaring te komen. Het kan doordat een landschap je boven jezelf uittilt, maar ook honger kan het veroorzaken - of pijn.“

Ook taal kan je in een bepaalde toestand brengen, al durft Ten Berge die niet euforisch te noemen. “Wanneer je zit te schrijven en iets lukt, je ziet dat de taal gaat glanzen, dat er iets extra's ontstaat door een verbinding van woorden die je nooit eerder hebt kunnen maken. Die euforie is echter van korte duur. De volgende ochtend moet je met een scherp oog zoeken naar mogelijke onzin of verbeteringen.“

Een gedicht van Ten Berge is dan ook niet snel af. “Als je denkt dat iets de hoogst denkbare top is, zul je in de helft van de gevallen zien dat er nog iets aan mankeert. Je moet poëzie laten besterven, net als sommige etenswaren.“ Maar ook lang na dato kan er nog iets blijven mankeren. Ten Berge: “Over de reeks Cantus Firmus in de bundel Oesters en gestoofde pot [2001] ben ik heel erg tevreden, maar er staat één adjectief in dat eruit moet, als het ooit wordt herdrukt. Dan is het perfect. Nu ja, behalve een substantief dat vervangen moet worden. Er komt een makelaar in voor waar het een vastgoedmagnaat moet zijn.“ Hij zou wel eens wat vrijer willen zijn, gewoon iets met de losse hand opschrijven: “Maar dan denk ik toch: kan ik dat wel onder mijn naam zo publiceren? Ik wil er toch nog liever wat aan prutsen, peuteren en verbeteren.“

Die precisie heeft het beeld van grote ernst dat hem omringt waarschijnlijk versterkt: “Terwijl er toch de nodige zelfspot in het werk zit. Terwijl ik maar zelden een slecht humeur heb. Hoewel ik ook weer niet in mezelf zit te grinniken als ik wat schrijf.“ Daarbij helpt zijn bekommernis om die “geschonden planeet' hem niet om zijn goed humeur te bewaren: “In de jaren zestig was ik nog optimistisch. Je zag dat er iets doordrong van het besef van milieuproblemen. Pas later bleek dat het de mensen geen fluit kon schelen. De mens slaagt erin alles smoezelig te maken en te verpesten. Dat is de pessimistisch stemmende kant van het bestaan.“

Ten Berges aanvankelijke optimisme over de planeet ging hand en hand met de goede zin waarmee hij als jonge dichter de wereld probeerde te veroveren, werkend vanuit een meestal ijskoud tuinhuis in Bergen. Hoe de literaire wereld werkte, wist hij nog in het geheel niet: “Op het moment dat ik een bundel gedichten bij elkaar had, stuurde ik die naar Van Oorschot. Die had een goede naam. Na maanden kreeg ik het terug met de mededeling dat dit een vijf min was, of een vier plus - ik weet het niet meer. Polak & Van Gennep wilde het wel graag hebben.“

De minder aangename kanten van de literaire wereld leerde Ten Berge tot in detail kennen nadat hij het tijdschrift Raster had opgericht, bedoeld om dichters een publicatiemogelijkheid te geven die zich, zoals Ten Berge zelf, bewogen tussen traditie en moderniteit. “Door de opheffing van Merlijn en Podium konden wij nergens meer terecht. De eerste zes jaar was ik de enige redacteur. Als ik had geweten wat er allemaal over me zou worden uitgestort, had ik het misschien wel niet gedaan.“

In zijn “dagboekbladen en veldnotities' Vrouwen, jaloezie en andere ongemakken zette Ten Berge de kritiek ooit op een rij. Die bestond deels uit bezwaren tegen de moeilijk toegankelijke theoretische stukken in het blad, maar ontaardde al snel in ordinaire scheldpartijen aan het adres van de “eskimotoerist' Ten Berge. Volgens deze krant was het blad vooral iets voor “liefhebbers van hutspot'. Ten Berge nu: “Ik vind dat je als auteur niet kleinzerig moet zijn bij kritiek, maar die moet dan wel over het werk gaan. Op een gegeven moment gaat het over je hoofd, je neus en je familie. Gelukkig waren er ook medestanders onder de critici, zoals Kees Fens Cyrille Offermans en Tom van Deel.“

De harde strijd rondom Raster hing volgens Ten Berge samen met het feit dat het blad een standpunt innam, iets wat in de huidige literaire wereld ontbreekt. “Nu is er geen enkel tijdschrift meer dat een literaire stroming vertegenwoordigt en ideeën helpt ontwikkelen. Die stromingen bestaan ook niet meer. En nieuwe auteurs worden nu direct geworven, niet meer via de tijdschriften. Eigenlijk hebben ze geen enkele functie meer. Ze zouden ermee op moeten houden.“

Zelf is Ten Berge nog verre van voornemens ermee op te houden, hoewel hij lange tijd moeite had iets op papier te krijgen na de crisis die vorig jaar uitbrak bij zijn toenmalige uitgeverij Meulenhoff, na een door de leiding van moederconcern PCM voorgenomen fusie. Die leidde tot een massaal vertrek van personeel en schrijvers. “Het was werkelijk onvoorstelbaar wat schrijvers en personeel daar werd aangedaan. De meeste auteurs hebben een halfjaar niet kunnen schrijven. We zijn als de vloermat gebruikt en vervolgens de deur uitgebezemd“ Ten Berge keerde terug naar zijn eerste uitgeverij, Athenaeum -Polak & Van Gennep, waar deze herfst een verzameling van zijn poëzievertalingen verscheen: Op een mat van gele veren. “Voor de roman die ik wilde schrijven kon ik de energie niet opbrengen. Toen ben ik begonnen met een novelle, een project dat te overzien is. Die is nu bijna afgerond.“

Het schrijven van proza en poëzie heeft ten Berge nooit kunnen combineren: “Het soort compactheid dat een gedicht vraagt, laat zich moeilijk verenigen met de relatieve wijdlopigheid die bij proza hoort. Soms moet ik tussen het werken aan proza op verzoek een gedicht maken. Dan kost het zeker een week om over te schakelen.“

Dat hij de P.C. Hooftprijs voor zijn poëzie heeft gekregen klopt, volgens hem, “al heb ik begrepen dat je het moet zien als een bekroning voor het hele oeuvre. Dat moet ook wel, want alles hangt natuurlijk in hoge mate met elkaar samen. Ik was eerst volledig overdonderd door de prijs en de bijbehorende publiciteit. Pas de laatste dagen realiseer ik me in welk illuster rijtje ik nu sta.“ Dat gevoel werd bij hem thuis op komische wijze gerelativeerd. “Toen ik mijn tweelingzoons van twaalf vertelde dat ik de P.C. Hooftprijs had gekregen, dachten zij dat het de postcodeloterij was. P.C. staat bij hen voor postcode.“

“Ik wil nog één grote roman schrijven. Daarna zal ik, denk ik, als dichter eindigen. Zo ben ik immers ook begonnen. Wat de kracht aangaat, is dat het beste om te doen, dunkt mij. Of ik sinds mijn debuut steeds dichter bij de kern gekomen ben? Ik weet het niet. Wel gaat het maken me steeds gemakkelijker af. Ik ben een gelukkig mens.“ Zegt H.C ten Berge in zijn tuinhuisje. Een week later voegt hij toe: “Misschien is bevoorrecht een beter woord'.

    • Arjen Fortuin