Soms is het beter helemaal geen regels te maken

De Nederlander Alexander Italianer werd onlangs benoemd op een van de topposten in het Europees ambtenarenapparaat. Als intern hervormer. “Mensen willen niet: niets doen. Toch is dat soms het beste.“

Alexander Italianer. Foto Bart Dewaele Dewaele, Bart

José Manuel Barroso, de Portugese voorzitter van de Europese Commissie, organiseerde enige tijd geleden een bijeenkomst voor ambtenaren in Brussel. Een paar honderd zaten er in een zaal, een doorsnede van het personeel van de Commissie - van alle afdelingen en van hoog tot laag. De rest van het ambtelijke apparaat, ruim 22.000 personen, kon via de pc meekijken en luisteren naar Barroso. Die vertelde hun dat ze hun werk niet altijd goed doen als ze problemen willen oplossen door nieuwe regels te maken. En dat het soms zelfs beter is helemaal geen regels te maken.

De beschrijving van die bijeenkomst wordt gegeven door Alexander Italianer (49), een van de hoogste Nederlandse ambtenaren in Brussel. Binnenkort wordt hij adjunct-secretaris-generaal van de Europese Commissie. Hij is dan onder meer verantwoordelijk voor de cultuuromslag die Barroso wil doen plaatsvinden. “Ik word een soort politieagent“, zegt hij lachend. “Er zijn heel strenge eisen opgesteld voor nieuwe wetgeving. Een van de dingen die men nu verplicht moet analyseren is de nuloptie: niets doen. Dat was niet gebruikelijk. Mensen willen iets doen. Ze willen niet: niets doen. Toch is dat soms het beste.“

Zijn vader, ook een ambtenaar, zag Europa van nabij groeien. Hij was onder meer secretaris-generaal op het ministerie van Buitenlandse Zaken. Maar Alexander Italianer (49) merkte er weinig van, vertelt hij in zijn woning in het dorpje Hoeilaart met uitzicht op de besneeuwde heuvels vlak onder Brussel. “Mijn vader vertelde niet veel over zijn werk, hij was heel discreet. Na zijn pensionering schreef hij zijn memoires. Daarin las ik wat hij heeft gedaan.“

Toen de econometrist Alexander Italianer twintig jaar geleden min of meer bij toeval bij de Europese Commissie terechtkwam, trof hij een organisatie aan die volledig naar het model van de Franse administratie was gevormd.

“Het was erg hiërarchisch. Er bestond geen parafencultuur, zoals in Nederland. Daar ziet de minister op een nota de naam van de auteur, ook als dat de jongste ambtenaar van het ministerie is. In Brussel was je als personage volledig uitgevlakt. Ik mocht als ambtenaar van de ene afdeling niet zomaar iets schrijven aan een ambtenaar van een andere afdeling. Alles ging eerst naar de directeur.

“Tegenwoordig is dat, met e-mail, niet meer in de hand te houden. Iedereen kopieert maar raak: cc en bcc. Alle informatie ligt op straat.“ Het Franse model wordt nu vervangen door een meer Angelsaksisch model, zegt Italianer. Dat betekent: minder hiërarchisch en meer gebaseerd op prestaties.

Hoe wordt daar op gereageerd?

“Vroeger promoveerde je min of meer automatisch als je genoeg dienstjaren had en normaal functioneerde. Nu krijgt een ambtenaar elk jaar punten. Dat leidt tot een promotie. Niet iedereen is er tevreden over. Het directe verband met prestaties is nog niet zichtbaar. “

Hoe functioneren Nederlanders in dat apparaat?

“Lang hadden ze moeite om de Commissie in te komen. Ze waren bang om Frans te moeten spreken. En ze waren niet gewend aan het concours waaraan iedereen die solliciteert moet meedoen. In Frankrijk en België is het normaal dat je een examen doet om in het ambtenarenapparaat te komen. Wij kennen dat niet. Nederlanders zeggen: ik ben toch al doctorandus? Een aantal jaar geleden is een speciale ambtenaar aangesteld die probeert Nederlanders te interesseren voor een baan in Brussel. En dat zie je doorwerken, ze komen ook bovendrijven in de hogere rangen. In de op één na hoogste rang - die van directeur - zitten nu zeventien Nederlanders. Dat is veel meer dan waar we recht op zouden hebben op grond van onze bevolkingsomvang.“

Maakt het eigenlijk uit waar ambtenaren vandaan komen? Ze horen toch allemaal het belang van Europa te dienen?

“We hebben een statuut waarin staat dat de geografische spreiding zo breed mogelijk moet zijn. Het is een verplichting, maar één die lastig af te dwingen is. Je kunt moeilijk met quota werken. Dan word je gedwongen om slechte mensen aan te nemen en dat is funest. “Ik heb het gezien na de Spaanse en Portugese toetreding in 1986. Toen werden er allemaal mensen via vereenvoudigde procedures benoemd. Ze aardden niet. Heel veel van hen hebben vroegtijdig het veld moeten ruimen. Gelukkig gaat het met de Oost-Europeanen die nu worden aangenomen veel beter.“

Zijn Nederlandse ambtenaren Europeser, minder bezig met nationale belangen?

“Ja, zeker. Nederlanders zien Europa als iets waar ze graag aan meedoen, omdat je als klein land kunt meedenken over iets groters. Een groot land ziet het meedoen aan zo'n club eerder als het weggeven van soevereiniteit.“

De laatste tijd lijken Nederlanders niet zo enthousiast over Europa. Heeft u veel moeten uitleggen aan collega's?

“Vrij veel, ja. Men snapt niet hoe een traditioneel Europees gezind land zich opeens zo kan afkeren van Europa. Zo wordt het namelijk gezien.“

En, hoe komt dat?

“Een aantal redenen is wel bekend: de dure euro, het gevoel dat Brussel te veel beslist, een afkeer van alles wat buitenlands is. Over de voordelen van Europa praat men niet. Waarom er verschillende aanbieders van mobiele telefonie zijn, waarom je goedkoop even naar het buitenland kunt vliegen, waarom je geen geld meer hoeft te wisselen. Dat moeten we beter uitleggen. Maar we willen nog meer van burgers te weten komen: wat verwachten ze van Europa en wat niet? Vinden ze dat we op een aantal gebieden een stapje terug moeten treden?“

Opinieonderzoeken zijn niet altijd eenduidig. Onlangs bleek uit onderzoek dat Nederlanders minder positief zijn over Europa. Maar de steun voor de grondwet was gek genoeg toegenomen. Wat moet je daar mee?

“Ik denk dat opiniepeilingen ook niet zo geschikt zijn. Het is goed dat de Nederlandse regering nu gaat werken met zogenaamde focusgroepen. Dat zijn kleine groepen mensen waarin gedetailleerd over een onderwerp wordt gesproken.

“Verder moeten we doorgaan op de weg die vorig jaar is ingeslagen op de top in Hampton Court. Daar is afgesproken even niet meer te praten over competenties, maar over problemen die burgers zien en hoe we die het beste kunnen oplossen. Hoe kunnen we opboksen tegen de Indiërs en Chinezen? Hoe stoppen we de braindrain uit Europa? Daarin past bijvoorbeeld het voorstel voor een Europese greencard voor onderzoekers.“

Met het gevaar dat de burger zegt: ze gaan gewoon door met plannen maken en ze laten nóg meer buitenlanders binnenkomen.

“Ik denk niet dat men er op tegen is dat we gekwalificeerde onderzoekers binnenhalen, dat onderzoek hier aantrekkelijker wordt. Volgend jaar komen we met een ander voorstel om dat te bevorderen: een European Institute of Technology, geïnspireerd door het voorbeeld van het Amerikaanse MIT. Dat leidt tot economische groei, tot banen. En dat moet duidelijk zichtbaar zijn.“

    • Jeroen van der Kris