Poëzie laat zien hoe Nederland is

In het buitenland stijgt de belangstelling voor Nederlandse poëzie. Komrij is in het Portugees te lezen en Rutger Kopland is populair in Groot-Brittannië.

Nederlandse literatuur doet het goed in het buitenland. Een relatief klein, maar sterk stijgend aandeel is er voor de vertalingen van poëzie. Na de dertien van 2004 noteerde het Nederlands Literair Productie en Vertalingen Fonds in 2005 twintig aanvragen voor subsidie bij de uitgave van een gedichtenbundel. Zo verschenen er onder meer een overzichtswerk van Leopold in het Russisch en de eerste drie bundels van Lucebert integraal in het Frans. De dorpsgenoten van Gerrit Komrij kunnen voor het eerst ook genieten van zijn poëzie. Eerder verschenen er twee romans in het Portugees.

“De Nederlandse poëzie krijgt een gezicht in het buitenland“, aldus Thomas Möhlmann, beleidsmedewerker poëzie van het fonds. Hij werd in 2004 speciaal aangesteld om internationaal de aandacht voor Nederlandse poëzie te stimuleren. “Bij zijn aantreden als directeur van het fonds wilde Henk Pröpper zich gaan inzetten voor belangrijke, maar commercieel kwetsbare genres als essayistiek, oude literatuur en poëzie. Nu groeit en groeit de interesse, al gaat het bij poëzie nooit om wereldschokkende aantallen. De oplages zijn vergelijkbaar met die in Nederland, 1000 à 1500 exemplaren.“

Op Möhlmanns tafel ligt een collectie vertaalde werken uitgestald. Schitterend is de forse bloemlezing in het Chinees, samengesteld en vertaald door sinoloog Maghiel van Crevel, verpakt in een grijs kartonnen, uitklapbare doos, met drie lintjes in rood, wit en blauw als sluiting. Met foto's van onder meer het Binnenhof en Amsterdamse grachten. “Poëzie is een manier om te laten zien hoe Nederland is. In een variant op het gezegde: vertel me wie uw dichters zijn en ik vertel u wie u bent. Dat onze poëzie vitaal en gevarieerd is, zegt iets over de mores van ons land, de levendigheid en de aandacht.“ Over iets als het immigratiebeleid van Verdonk zegt poëzie niet veel, erkent Möhlmann. “Alleen indirect. Maar het laat wel zien dat Mustafa Stitou een echte Nederlandse dichter is, geen Marokkaanse dichter die toevallig in Nederland woont.“

Stitou staat in het Duitse tijdschrift Park, net binnen, nog in cellofaan. Op de kaft staan ook de namen van andere jonge dichters als Tsead Bruinja en Alfred Schaffer, en van Arjen Duinker en Esther Jansma. Möhlmann: “Ik was begin vorig jaar in Berlijn en toen werd ik met de uitgever en enig redacteur van dit blad in contact gebracht.“ Een netwerk is cruciaal voor Möhlmanns werk. Hij bezoekt festivals, beurzen en uitgevers. Met in zijn tas “dossiers', mapjes met een tiental in het Engels vertaalde gedichten en een inleiding op het werk. Er zijn twee categorieën: “Contempory Dutch poets' en “Great Dutch poets of the twentieth century'. Verder presenteert Möhlmann elk kwartaal een dichter op het Poetry International Web.

Al die aandacht werkt goed. Maar een vertaling kan ook tot stand komen door vertalers die gepassioneerd zijn of doordat uitgevers zelf met ideeën komen. “Een Zweedse uitgever heeft een reeks met Nederlandse dichters, al een jaar of zes, zeven.“ Veel goeds deed ook de bloemlezing die J.M. Coetzee uitbracht in 2004, Landscape with rowers, met onder meer zijn vertalingen van Sybren Polet, Gerrit Achterberg en Hans Faverey. Het was zijn eerste boek nadat hij de Nobelprijs won. “Het was natuurlijk geen kassucces, maar het verkocht blijkbaar voldoende om er nu een paperbackversie van uit te brengen.“

Het succes van de Nederlandse roman straalt uit naar de poëzie. Zo raakten de Duitsers geïnteresseerd in de poëzie van Cees Nooteboom. Een enkeling maakt er zelf veel werk van, zoals Arjen Duinker, vorig jaar winnaar van de VSB Poëzieprijs. “Hadden we dertig Duinkers dan was mijn werk makkelijk.“

De smaakvoorkeuren laten zich maar heel grofweg rangschikken naar land. “Engeland is conventioneler ingesteld. Daar doet een dichter als Kopland het goed.“ Kopland is ook de meest succesvolle dichter in het buitenland. Behalve in Engeland verschenen er vorig jaar vertalingen van zijn werk in Noorwegen en Italië. “Frankrijk heeft een lange avant-gardegeschiedenis, met surrealisme en vormexperimenten. Lucebert, maar ook K. Schippers, sluit daar goed bij aan. De Russische leestraditie kent veel aandacht voor het verleden. Dus vertalen ze Nijhoff en Leopold.“

Het fonds subsidieert vertalingen met kleine bedragen. Als een festival een dichter wil laten optreden, worden reiskosten en vertalingen vergoed. Zo stond Komrij in Medellín in Colombia, op het grootste poëziefestival ter wereld, waar tienduizenden jongeren op afkomen.

Dit jaar zal de positieve trend doorzetten, denkt Möhlmann. “Het eigen initiatief en enthousiasme van uitgevers groeit. In de Verenigde Staten is een uitgever gek van de Vijftigers. In Engeland vindt een uitgever Duinker geweldig en hij werkt nu ook met de vertaler van Campert. Zo'n man valt te voeden met Nederlandse poëzie. Prachtig toch.“

    • Ron Rijghard