Pabo's moeten fout bij zichzelf zoeken

“Taal- en rekenvaardigheden van aanstaande onderwijzers al jaren reden tot zorg', zo luidt de onderkop bij het stuk “Pabo gaat eerstejaars strenger beoordelen' (NRC Handelsblad, 3 januari). In eerste instantie krijgt de politiek de schuld, want die “mist het lef om eisen te stellen bij de toelating“. Ook zouden bestuurders en docenten van de pabo's - de lerarenopleiding voor het basisonderwijs - min of meer hun schouders ophalen over deze mededeling, want het is immers al jaren bekend. Van een van de genoemde pabo's meldt het artikel dat na het eerste jaar 25 procent en na het tweede jaar zelfs 30 procent van de studenten er de brui aan heeft geven.

Maar het allermerkwaardigste is wel de genoemde oorzaak van de slechte prestaties: vrijwel alle instanties en personen die om commentaar wordt gevraagd, wijten de aanzienlijke tekorten aan de vooropleiding van de studenten, de kwaliteit dus van de instroom. Die bestaat uit drie categorieën: 1) studenten met een driejarige mbo-opleiding, 2) een vijfjarige havo en 3) een zesjarige vwo. Een deskundige verklaart intussen, dat juist de mbo'ers weliswaar het slechtste resultaat laten zien, maar verder desondanks zowel “gemotiveerd“ als “zeer geschikt“ zijn om met jonge kinderen te werken.

Jan de Lange, directeur van het onvolprezen Freudenthal Instituut in Utrecht, erkent dat het probleem weerbarstig is en al jaren bekend. Hij ziet de oplossing in het stellen van hogere eisen bij de toelating. Hij vindt het niveau van het wiskundeonderwijs op havo en vwo door de recente vernieuwingen (basisvorming en Tweede Fase) sterk verlaagd. Minister Van der Hoeven zwalkt van de verplichting wiskunde al of niet in alle profielen op te leggen naar een bindend advies om na het eerste jaar de opleiding te verlaten als de toets op reken- en taalvaardigheden onvoldoende uitvalt. Maar aan die toets gaat een leerproces van een vol jaar vooraf, waarvoor alleen de pabo's zelf verantwoordelijk zijn !

Het zal best allemaal waar zijn, maar ik hoor geen “deskundige' opmerken dat de organisatie op sommige pabo's te wensen overlaat, de onduidelijkheid over roosters, het boekenpakket, de al of niet verplichte aanwezigheid en de controle daarop - om het voorzichtig te zeggen - onevenwichtigheden vertoont, het beschikbare urental per week voor reken- en taalvaardigheden beneden de maat is, discipline voor verbetering vatbaar blijft, leegloop soms angstwekkende vormen aanneemt en spilzucht om zich met oeverloze moderniteiten als “taakgestuurd onderricht' of de omschakeling naar “competentiegericht onderwijs' zelfs niet binnen redelijke grenzen valt in te dammen.

Jaren geleden gold de kweekschool, waarvan de huidige Pabo de onherkenbare erfgenaam is, als de universiteit van de kleine man en vrouw. Lesroosters toen toonden een opvallende gelijkenis, stage op een lagere school (basisschool) met eminente begeleiding was gedurende de hele opleiding het uitgangspunt. Rekenen en taal waren hoofdvakken met een royaal aantal wekelijkse lesuren. Spraakkunst en spelling golden als vanzelfsprekende eisen die vrijwel iedere dag aan de orde kwamen; voor rekenvaardigheden van velerlei soort gold hetzelfde. Studenten leerden de structuur van het vak te doorzien, daarin te oefenen en bekwaam toe te passen op hun werk voor de klas.

Maar wat doen de geciteerde zegslieden? Ze halen een in het onderwijs al jaren bekende truc van stal: als de resultaten tegenvallen, leggen die besturen en docenten van de gewraakte opleiding de schuld eenvoudig bij de vooropleiding en wachten verder rustig af. Erger, ze wijzen verwijten van vrijblijvendheid, tekortschietend engagement, slappe organisatie, geringe disciplinering en het vaak ontbreken van inspirerende structurering van 17- en 18-jarigen als ouderwets hooghartig van de hand en ontwijken voortdurend een kritisch oordeel over eigen werk en opleiding.

Wie de zee van tijd overziet, die een vierjarige opleiding kan besteden aan de concrete opdracht jonge mensen, die in vrijheid voor deze opleiding kiezen, voor te bereiden op hun fantastische werk, heeft toch alle instrumenten in eigen huis en binnen handbereik om die jonge mensen blijvend bij de les te houden. Dertig procent uitval wordt kennelijk gewoon gevonden, sterker, het lijkt in de ogen van sommigen de aangewezen weg om de slechte resultaten te verbeteren. Wat een verspilling van geld, maar vooral wat een toonbeeld van gemakzucht en lamlendigheid om zo het enthousiasme en zeker ook het aanwezige natuurtalent van jonge mensen in de waagschaal te stellen.

Dr. Theo Hoogbergen volgde de eenjarige onderwijzerscursus, was onderwijzer, leraar Nederlands aan middelbare scholen, leraar en directeur van handelsavondscholen, leraar aan een academie voor kunst en vormgeving, rector van het Peellandcollege (Deurne) en was voorzitter van de Adviesraad Voortgezet Onderwijs.

    • Theo Hoogbergen