De hoogmis van de NOS

Tussen voetbalwedstrijden, evenementen van het koningshuis en groot amusement met de hoogste kijkcijfers van het jaar prijkt altijd een uitzending van het publieke NOS Journaal. Vooral op zondagavond acht uur stemmen mensen er met miljoenen op af om zich na hun vrijetijdsbezigheden te oriënteren op de buitenwereld. Vaak scoort de zondagavonduitzending de hoogste kijkcijfers van de week. Andere dagen kijken miljoenen naar de verschillende Journaal-programma's, alleen al 1,8 miljoen om acht uur 's avonds. En een meerderheid van Nederlanders, ook jongeren, vindt het Journaal het meest objectieve nieuwsprogramma.

Vijftig jaar lang heeft dit programma standgehouden als nationaal instituut en, in de woorden van de populaire nieuwslezer Philip Freriks, als “hoogmis'. De nieuwslezer is een hogepriester met een geloofwaardigheid die ver uitsteekt boven die van politici en professoren, laat staan die van andere journalisten. Het tijdstip tussen acht en half negen is voor veel Nederlanders zo heilig dat ze elkaar dan niet bellen. Bij al die vergruizing en infotainment heeft het publiek een baken nodig. Dat was zo in de tijd van de verzuiling en dat is nu het geval bij de multimediale versnippering. Dankzij de techniek is de pluriformiteit van de media groter dan ooit, maar als mensen worden opgeschrikt door grote nieuwsgebeurtenissen, is er behoefte aan een massamedium dat ook door veel anderen wordt gebruikt. Volgens de kijkcijfers voldoet het Journaal het meest aan die behoefte. Terwijl er bij sommige door de overheid gefinancierde televisieprogramma's nog kan worden getwijfeld aan de publieke waarde, is dat bij het Journaal met zijn wereldwijde correspondentennet niet het geval.

Toch blijft er spanning met concurrerende media die voor hun bestaan moeten vechten. Met recht is de machtspositie van het Journaal betwist. Vroeger heeft het Journaal zijn status moeten bevechten op de omroepzuilen die het verschaffen van achtergrondinformatie voor zichzelf wilden houden. Dat ging te ver, maar het wantrouwen van de zuilen tegen de centrale, publiek gefinancierde nieuwsomroep is niet ongegrond. Overal in de wereld is het verleidelijk om politieke druk uit te oefenen op publieke nieuwsuitzendingen. Het Journaal is vergeleken met buitenlandse publieke nieuwsprogramma's redelijk onafhankelijk, maar heeft in het verleden zijn zwakke momenten gekend - met een bevoorrechte informatiepositie bij het koningshuis. Er is uitwisseling met de Rijksvoorlichtingsdienst, ook qua personeel.

Het is de vraag in hoeverre een publiek gefinancierd Journaal nodig is, nu ook particuliere omroeporganisaties met succes avondnieuwsprogramma's maken. Het Journaal is ook actief op internet met gratis geschreven nieuws en daarmee begeeft het zich op de markt van mede door abonnees gefinancierde kranten. Dat is bedenkelijk. Het Journaal wordt met recht gewaardeerd, maar het is niet de bedoeling dat een door de overheid gefinancierd programma alle nieuwsvoorziening overneemt.