“Welkom, lul'

Na negen jaar in New York valt het oud-correspondent Viktor Frölke op dat Nederlanders best bot zijn.

Nog geen drie maanden ben ik terug in Amsterdam en ik ben al voor klootzak, lul en hoer uitgemaakt. In die volgorde. Dat zijn meer verwensingen dan ooit naar mijn hoofd zijn geslingerd in de negen jaar dat ik in New York woonde - een stad die tien keer zo groot is als Amsterdam en waar ongeveer twee moorden per dag worden gepleegd.

Het was een mooie ochtend. Ik stapte op mijn fiets die ik tegen de muur had geparkeerd bij het postkantoor in de Rivierenbuurt. Fietsen, op wandelen na de liefste vorm van transport, was een van die dingen die ik in Amerika zo had gemist. “Klootzak!“ wekte een voetganger me ruw uit mijn mijmeringen. Ah, ik fietste over het trottoir. Het scheldwoord kwam van een oudere heer met een hoed op. Hij balde zijn vuist naar me. “U ook goedemorgen!“ riep ik terug, mijn contraire strategie toepassend, volgens welke een aardigheid op een onaardigheid harder aankomt dan een onaardigheid op een onaardigheid. Ik geloof niet dat het werkte.

Een jonge vrouw stond met de fiets te wachten bij een kruispunt op de Sarphatistraat. Ik had haar vanachter het stuur van de auto niet gezien. Het was niet zo dat ik haar van de sokken reed, daarvoor reed ik niet hard genoeg. Maar galant was anders, dat geef ik meteen toe. De vrouw had echter een ander woord in gedachten, dat ze ook meteen uitsprak: “Lul.“

In beide gevallen viel mij iets te verwijten, maar dat was niet het geval bij de grofste verwensing die ik in tijden heb gehoord: hoer. Die kwam totaal uit de lucht vallen. Mijn moeder, die ook in de auto zat, hoorde het gelukkig niet. We kwamen nota bene terug van een begrafenis, en zochten naar een parkeerplaats in de Vrolikstraat. De jongen op de scooter achter ons vond dat we er te lang over deden.

Ik ben niet de enige die dit zinloze verbale geweld ten deel valt. Onlangs nog, op de Ceintuurbaan, stond een moeder met drie meisjes, allemaal op hun eigen fiets, een in haar ogen lompe automobilist uit te foeteren. “Eikel“, zei de moeder. “Eikel“, zei het eerste meisje. “Eikel“, zei het tweede. “Eikel“, het derde. Voldaan reden ze naar de overkant.

Toen ik mijn klaagzang over de Nieuwe Botheid (vroeger was het me nooit zo opgevallen) aan een vriend voorlegde, zei die: “We hebben soms een iets te kort lontje in ons landje. Of heb je dat filmpje nog niet gezien?“ Hij doelde op een campagne van de SIRE, die Nederlanders wijst op hun heethoofdigheid (een vorm van paternalisme die in de meeste landen ondenkbaar is). Ik heb het filmpje inmiddels gezien: in een straat krijgen steeds meer mensen mot met elkaar, en terwijl de aanstichters, die hun ruzie al bijgelegd hebben, langzaam wegrijden, escaleert de zaak tot in het absurde. Lollig, maar het filmpje gaat volgens mij voorbij aan de essentie, namelijk: wat te doen?

Eerst dacht ik: meer vuurwapens. Amerikanen gedragen zich voorbeeldiger op straat omdat beleefdheidsvormen er al vroeg worden ingeramd. In een stad als New York pas je bovendien extra op wat je zegt tegen vreemden. Die paar keer dat ik op het punt stond een medeweggebruiker het woord “asshole' toe te voegen, dacht ik ineens weer aan de 2.000.000 guns die in Amerika in omloop zijn. Niet doen dus. Wie een low profile aanhoudt leeft langer.

Aan de andere kant: distributie van uzi's onder Amsterdammers om slechte omgangsvormen tegen te gaan werkt misschien contraproductief. Er wordt al genoeg geliquideerd in de stad. Waarom schrijft de SIRE geen prijsvraag uit voor de beste oplossing tegen de Nieuwe Botheid, waaraan volgens een TNS-NIPO onderzoek een meerderheid van de Nederlanders zich stoort? Dan beloof ik dat ik niet meer over de stoep fiets.

    • Viktor Frölke