Rellen of erger

Armoede in Nederland is de laatste grote nationale ontdekking van het vorig jaar. Begin december publiceerden het Sociaal en Cultureel Planbureau en het Centraal Bureau voor de Statistiek de Armoedemonitor 2005. Daaruit bleek dat van de 680.000 Nederlandse huishoudens 10,5 procent een laag inkomen heeft. Laag is 850 euro netto per maand voor een alleenstaande, en 1.595 euro voor een gezin met twee kinderen. Het CDA stelde voor de gegadigden een compensatie van 35 euro voor dure energie te geven. Minister Zalm, lettend op de aanstaande economische vooruitgang en van mening zijnde dat armoede relatief is, wilde dat niet. Even leek het erop dat een kabinetscrisis dreigde, maar het liep met een sisser af. Niet de armoede, maar de politieke dreiging.

Ongeveer 250.000 huishoudens, meldde de Monitor verder, zitten in de armoedeval. Ze hebben er geen belang bij om te gaan werken of naar meer te zoeken, omdat ze dan minder compenserende maatregelen krijgen. Met andere woorden: het lot heeft deze honderdduizenden in een muurvaste uitzichtloosheid gerangeerd. In een vervolg op de publicatie van het SCP en het CBS liet de Volkskrant door het bureau Inzicht BV, ook nog in december, het beleid van de gemeenten onderzoeken. Dat, meldde die krant op 23 december, schiet tekort. “Geen enkele gemeente heeft een samenhangend beleid.“ Uit het verslag doemt een beeld van verwarring op. “Burgers kunnen nergens via een afdeling voorlichting of gemeentelijke website achterhalen waar ze recht op hebben.“ Armoede op zichzelf is al ellendig. Een daaraan toegevoegde radeloosheid maakt deze toestand verschrikkelijk.

In zijn nieuwjaarsrede heeft burgemeester Job Cohen er een prognose aan toegevoegd. Voor veel mensen is Amsterdam een “opwerkfabriek', zei hij, een permanente of tijdelijke woonplaats waar ze leren maatschappelijk weerbaar te worden. Maar vaak schiet het onderwijs tekort en blijkt de maatschappij minder kans te bieden. Dan komt men in een neerwaartse spiraal terecht. Zorgvuldig, op de bedachtzame manier die hem eigen is, en die de radikalinski's van rechts zeer boos kan maken, schetste Cohen de risico's van de stagnatie. Daarbij vergat hij de invloed van de godsdienstige conflicten niet. “Radicaliseren kan een bron zijn van rellen, of erger.“ Kortom, armoede begint een bedreiging te vormen. Zo vatte deze krant in de kop boven de bekorte versie van de rede samen.

Over het verband tussen armoede en terrorisme zijn de geleerden het niet eens. Er is een school die zegt dat de terreur juist op hoger opgeleide jongeren de grootste aantrekkingskracht heeft. Overigens zonder daaruit dan de consequentie te trekken dat het uit het oogpunt van veiligheid dan maar beter zou zijn die jongeren op het laagste niveau te laten. Of er in moslimkringen verband bestaat tussen armoede en de gelijkwaardigheid van man en vrouw weten we niet. De andere kant van de zaak is dat in Nederland een groeiende afkeer van de moslimbevolking bestaat, en dat men daarmee, onder dekking van de “vrijheid van meningsuiting' op z'n allergrofst furore mee kan maken. “Nederlander ziet moslim niet staan', meldde de Volkskrant op grond van een onderzoek (26 juni 2004). “Eén op de zes voelt zich daadwerkelijk bedreigd“ en “slechts veertien procent denkt positief over de islam.“ Dat maakte de maatschappelijke kansen van een moslim er in ieder geval niet groter op.

In ieder geval wordt steeds meer ernst gemaakt met de voorbereidingen om het hoofd te bieden aan eventuele bedreigingen. Er komt een Dienst Speciale Interventies, waarin politie en leger samen kunnen ingrijpen bij terreur en zware georganiseerde misdaad. In Amsterdam vraagt hoofdcommissaris B. Welten het kabinet om zeshonderd agenten extra, een uitbreiding van tien procent, om beter het hoofd te kunnen bieden aan alles. Intussen hebben jongeren, vermoedelijk van Marokkaanse afkomst, in de Pijp ter gelegenheid van de jaarwisseling van vijftig auto's de ruiten ingeslagen. Waren het rijke of arme jongeren, hoog of laag opgeleid?

In deze krant van 31 december bekijkt professor Mark Bovens (bestuurs- en organisatiewetenschap) het probleem in groter verband. Bij hem gaat het om de “vertrouwenscrisis' die de verhouding tussen het bestuur en de burgerij beheerst, overal in het Westen maar in Nederland in zeer sterke mate. Nader onderzoek leert dat deze crisis zich vooral doet gelden in de arbeiders- en middenstandswijken, bij de groepen waarvoor het tempo van de veranderingen te hoog ligt. “Maatschappelijk onbehagen en politiek wantrouwen gaan bij deze grote groep hand in hand.“

Deze lagere middenklasse, eenderde van de bevolking, woont in stadsdelen waar zich ook grote groepen immigranten hebben gevestigd, en waar nu de armoede zich het sterkst laat gelden. Hier, voeg ik aan Bovens' beschouwing toe, hebben we de drie factoren die op het ogenblik de sluimerende labiliteit van de Nederlandse samenleving veroorzaken: sociale ontheemding, economische bedreiging en het tot een overtuiging neigende gevoel dat men als “moderniteitsverliezers' (zoals Boven ze noemt) reddeloos achterblijft. Hier schuilt op het ogenblik het grote risico.

Er zijn twee potentiële oorzaken van conflicten, twee partijen. Steeds houden we rekening met de mogelijkheid dat één of een paar terroristen zullen toeslaan, of dat door een kleinigheid een rel tussen autochtonen en allochtonen ontstaat. Dat zou dan de aanleiding kunnen zijn tot een uitbarsting van veel groter omvang tussen twee bevolkingsgroepen die zich laten leiden door het gevoel dat ze “niets te verliezen hebben'. Een oeverloze escalatie hoort op het ogenblik in Nederland tot de serieuze mogelijkheden. “Rellen of erger“, zei de burgemeester. Voor wie het niet gelooft: maak zelf dit weekeinde een excursie naar één van de armere buurten.