Journalist minder in Chinese cel

In China is gisteren de journalist Jiang Weiping vrijgelaten. Dat is mede te danken aan Amerikaanse stille diplomatie, geïnitieerd door een vroegere zakenman.

Afgelopen zomer verstoorde de komst van orkaan Katrina en de daarop volgende watersnoodramp in New Orleans een staatsbezoek van de Chinese president Hu Jintao aan de VS. Maar sinds gisteren is de kans aanzienlijk vergroot dat Hu binnenkort alsnog wordt verwelkomd in Washington, na het bezoek van de Amerikaanse president Bush aan China in november.

Dat is af te leiden uit de vervroegde vrijlating gisteren van de journalist Jiang Weiping die sinds december 2000 in de gevangenis zat. Vrijlating van politieke dissidenten is een beproefd recept in de Chinees-Amerikaanse betrekkingen om wederzijdse ontmoetingen gemakkelijker te maken. Het laatste bezoek van president Bush was een uitzondering; toen werd er althans van Chinese zijde publiekelijk niet zo'n geste gemaakt. Maar toen de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Condoleezza Rice, in maart vorig jaar naar Peking afreisde, werd daags daarvoor de vrijlating bekendgemaakt van de Oeigoerse zakenvrouw en activiste Rebiya Kadeer. Zij mocht zich bij haar echtgenoot in de VS voegen, Jiang Weiping gaat waarschijnlijk naar zijn vrouw en dochter in Canada.

De affaire-Jiang is in meer dan een opzicht illustratief voor het verwrongen beleid dat de communistische machthebbers in Peking handhaven. Jiang, destijds correspondent voor het in Hongkong gevestigde dagblad Wen Hui Bao werd opgepakt omdat hij had geschreven over corruptie onder regionale regeringsfunctionarissen in de noordoostelijke provincies. Bestrijding van de wijdverspreide corruptie noemt de regering van het hoogste belang om de geloofwaardigheid en daarmee de alleenheerschappij van de communistische partij in stand te houden. Maar vervolging van fraudeurs houdt ze in eigen hand en besteedt ze liever niet uit aan bijvoorbeeld onafhankelijke media. Zo kon het gebeuren dat de onderburgemeester van de stad Shenyang, die onder andere enkele miljoenen euro's aan overheidsgeld had vergokt in Macau en wiens wandaden door Jiang werden onthuld, in december 2001 werd geëxecuteerd, terwijl Jiang zelf enkele maanden eerder tot acht jaar was veroordeeld, later verminderd tot zes, wegens “het openbaren van staatsgeheimen“.

De vrijlating van Jiang laat ook zien dat China niet helemaal ongevoelig is voor druk op het gebied van mensenrechten, mits de kritiek niet en plein publique wordt geventileerd. In de internationale arena heeft China zich diplomatiek zo bewapend dat pogingen om het land door de Verenigde Naties veroordeeld te krijgen de afgelopen jaren nog nooit resultaat hebben opgeleverd. Ook de VS zelf hebben gekozen voor het pad van de stille diplomatie.

Jiangs vrijlating is daarom ook een nieuw succes voor John Kamm, oprichter van de Dui Hua (Dialoog) Foundation in San Francisco [www.duihua.org]. Ook Rebiya Kadeer en honderden dissidenten in China vóór haar hebben de afgelopen jaren hun vrijheid teruggekregen, mede dankzij de inspanningen van Kamm.

De 54-jarige Kamm is een opmerkelijke mensenrechtenactivist. Hij was vice-president van Occidental Chemical Corporation in Hongkong, voorzitter aldaar van de Amerikaanse Kamer van Koophandel, woonde naar eigen zeggen in een luxueus appartement, beschikte over een Mercedes met chauffeur, had twee hulpen voor in de huishouding en kon zijn kinderen naar dure particuliere scholen sturen. Maar vijftien jaar geleden werd zijn belangstelling gewekt voor het lot van de politieke gevangenen in China.

Kamm is naar eigen zeggen zakenman gebleven. Dat wil zeggen: van hem hoef je geen emotioneel activisme te verwachten. In plaats daarvan legt hij discreet contacten in het Chinese establishment, lobbyt hij achter de schermen, en houden hij en zijn medewerkers een lijst bij. Die lijst, met de namen van duizenden gevangenen en hun gegevens, zijn Kamms sterkste troef. Amerikaanse en Europese onderhandelaars raadplegen die lijst als ze naar Peking gaan.

Na gisteren staat er één journalist minder op.