Franse toestanden

Bijna twee maanden heerste in een West-Europees land de noodtoestand. Op 8 november 2005 kondigde de regering-Villepin noodrecht af naar aanleiding van oproer en vandalisme in de Franse voorsteden. Deze formele uitzonderingstoestand, haast ongekend in een EU-lidstaat, is vannacht beëindigd. Noodrecht is in principe tijdelijk van aard, maar de regering had voor de maximale termijn van drie maanden kunnen kiezen. Het is terecht dat dit niet is gebeurd; verlenging tot in februari zou te lang hebben geduurd. De rustiger omstandigheden gaven immers geen aanleiding tot maximalisatie. Alleen tijdens de jaarwisseling was er nog een eruptie van opstootjes en autobranden. Over het algemeen geldt dat hoe korter het noodrecht geldt, met zijn avondklok en andere verregaande decreten, hoe beter het is.

Frankrijk is met ingang van vandaag weer een “normaal' land. Dat is verheugend nieuws, maar de achterliggende periode vraagt wél om waardebepaling. Is het afkondigen van de noodtoestand inderdaad het succes geweest dat de regering nu claimt? En wordt het noodrecht andermaal in leven geroepen als het oproer onverhoopt weer kraait? Wat heeft de noodtoestand eigenlijk betekend voor de betrokkenen: de vandalen, de politie, de autoriteiten? Het antwoord op deze vragen is niet alleen leerzaam voor Frankrijk, maar voor alle landen die zelden of nooit noodrecht afkondigen maar toch met “Franse toestanden' te maken kunnen krijgen - waaronder Nederland.

Gestimuleerd door de dreiging van terreur is het noodrecht in de democratische rechtsstaat bezig aan een opmars. Dit paardenmiddel doet de grens met het normale recht vervagen; een verontrustende ontwikkeling, waardoor terreurbestrijding nogal eens in een dubieus licht komt te staan. Het is een oud adagium, maar daarom niet minder waar: niet het noodrecht, maar adequaat optreden van politie en inlichtingendiensten is primair bedoeld om rellen of terreur te bestrijden. Dat er daarnaast bijzondere omstandigheden zijn waarin een staat de noodtoestand moet afroepen, laat zich raden. Maar uiterste terughoudendheid hiermee blijft een eerste vereiste.

De politiek heeft uiteindelijk het laatste woord. Na parlementaire interventie zijn in Frankrijk de beroepsmogelijkheden tegen de noodtoestand uitgebreid. In Groot-Brittannië verwierp het Lagerhuis onlangs premier Blairs voorstel om terreurverdachten zonder enige aanklacht negentig dagen vast te zetten, eveneens een maatregel die als vorm van noodrecht mag gelden. In Nederland is het thema net zo actueel als elders. Ook hier moet de vraag steeds weer worden gesteld waar een objectief aanvaardbare grens ligt tussen vrijheid en veiligheid. Het is duidelijk dat er een schemergebied is dat in het belang van de rechtsstaat niet te lichtzinnig moet worden betreden.

Frankrijk heeft zijn juridische uitzonderingstoestand beeindigd. Politiek en maatschappelijk kan het land echter nog niet overgaan tot de orde van de dag. De rust is er weliswaar teruggekeerd, maar de problemen in de banlieues blijven onveranderd groot. De tijd moet zijn werk doen om de politieke voornemens en toezeggingen waar te maken. Pas als dat aantoonbaar gebeurt, zal de staat het noodrecht niet of nauwelijks meer nodig hebben. Zoals het hoort.