De jaren zestig en daarna

Erik Jurgens is 70 en hij vertelt dat zijn grootmoeder eens in Noordwijk een vrouw zag lopen die een lange broek aan had. Nu wordt het toch tijd dat ik doodga, zei de oude vrouw in alle ernst. Dat was in de jaren vijftig. Aan dat soort benauwdheid hebben de jaren zestig rigoureus een eind gemaakt.

Nederland, Amsterdam, 03-01-2006 Prof.mr. E.C.M. Erik Jurgens (1935) is sinds 13 juni 1995 lid van de PvdA-fractie in de Eerste Kamer. Hij was hoogleraar staats- en bestuursrecht aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en hoogleraar recht van het parlementair stelsel aan de Rijksuniversiteit Limburg. Hij was verder Tweede-Kamerlid voor de PPR en de PvdA en voorzitter van de NOS. In de Eerste Kamer houdt hij zich onder meer bezig met Justitie. Sinds 24 juni 2003 is de heer Jurgens eerste ondervoorzitter van de Kamer. PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS Cremers, Roger

Toen hij in 1960 met een protestants meisje ging trouwen, was het, als je een geschikte pastoor wist te vinden, al mogelijk de geijkte sancties van de kerk te omzeilen. Ze kregen een inzegening waarbij ze beloofden hun kinderen christelijk, dus niet zozeer katholiek, op te voeden. “Van de orthodoxie heb ik mij bevrijd“, zegt hij, “met de kerk heb ik nooit gebroken.“

Maar de ware geest van de jaren zestig werd pas tegen het eind van dat decennium over ons vaardig. Hij had al een gezin, hij had een positie. Hij droeg een jasje en een stropdas, en dat is hij blijven dragen.

“Eigenlijk“, zeg ik, “zoek ik een 70-jarige die dol is op de Rolling Stones. Die moeten er zijn, zo onderhand.“

“Ik zou die muziek niet herkennen“, zegt hij.

“En nooit geëxperimenteerd met drugs?“

“Ik hield toen al van wijn“, zegt hij.

Ja, dat heb je als je uit een goed nest komt. Alles wat katholiek en belangrijk was, kwam bij de familie Jurgens aan huis. Hij, de jeugdige Erik, werd voorzitter van de KVP in Amsterdam. In feite had hij op dat moment de carrièrekansen van een Ruud Lubbers.

In 1966 viel het kabinet-Cals, een geval van broedermoord dat de geschiedenis is ingegaan als de Nacht van Schmelzer. In de nasleep daarvan werd de PPR opgericht. “We hadden enkele medestanders in de Kamerfractie“, zegt hij, “en die werden door Schmelzer behendig in het isolement gedreven. Toen zij de partij verlieten, gingen wij vanzelfsprekend mee. Maar we dachten toen, en ik denk nog steeds, dat we als lastpakken binnen de KVP meer invloed hadden gekregen dan met een eigen partij.

Bij de verkiezingen van '71 kwam de PPR niettemin van twee op zeven zetels. Jurgens in de Tweede Kamer. “We hadden“, zegt hij, “eens een avondvergadering die zo uitliep dat de laatste trein naar Amsterdam al weg was. Toen vroeg ik iemand van de CPN of ik met hen kon meerijden. Nou, dat kon niet; ik was de klassenvijand. Toen moest ik met de VVD meerijden.“

Met de CPN is het nooit meer goed gekomen. Omdat deze partij later betrokken was bij de vorming van GroenLinks, haakte Jurgens af (waarmee hij, laten we wel zijn, zichzelf definitief als klassenvijand ontmaskerde).

“Kernbewapening en mensenrechten“, zegt hij, “dat waren mijn ijkpunten.“

“Vietnam“, zeg ik.

“Vietnam“, zegt hij. “Het is best mogelijk dat daar een communistische expansie gaande was, maar de Amerikaanse reactie was buiten alle proportie. Bij die grote Vietnamdemonstratie met Piet Nak heb ik nog rondgelopen om de leuzen op spandoeken te controleren.“

Mei '67 was dat, toen zat hij nog in de KVP. “Zo breed was de geest van verzet“, zegt hij.

De geest van de jaren zestig, de sfeer van rebellie, de opstand van jongeren zonder doel tegen heren zonder programma, het algemene gevoel dat de dinosaurussen, die het maatschappelijk verkeer verstikten, eruit moesten worden gegooid. “Als wij het niet hadden gedaan“, zegt hij, “hadden anderen het gedaan, en dan was het er misschien minder zachtzinnig aan toe gegaan.“

“Niets gedaan waarvoor we ons achteraf moeten schamen?“

“Nee toch? We hebben fouten gemaakt, zeker. Maar wij hebben de boel opengebroken. De open samenleving die we nu hebben, was ons werk. Dat de commercie zich er uiteindelijk meester van zou maken, dat heeft niemand kunnen voorzien.“

Hij was voorzitter van de NOS, hij was hoogleraar staatsrecht, hij is lid van de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa, hij zit in de Eerste Kamer voor de PvdA. “Nu bent u zelf“, zeg ik, “een van de dinosaurussen die eruit moeten worden gegooid.“

Nee, dat vindt hij niet. “Ik ben 70 ja, maar ik sta nog steeds voor verandering.“

“Maar toen de rechtstreeks gekozen burgemeester in jullie Kamer werd getorpedeerd, was het meteen: stelletje ouwe mannen, waar bemoeien ze zich mee!“

“Terwijl“, zegt hij, “Ed van Thijn en ik in onze fractie de enigen van deze leeftijd zijn. Ik zie daar heel wat dertigers om mij heen.“

“Het beklemmende“, zeg ik dan weer, “is de effectiviteit van dat argument. Iemand zegt: ouwe mannen, en iedereen denkt: daar deugt natuurlijk niks van.“

“Niet iedereen hoor“, meent hij. “Mijn leeftijdsgroep maakt zo onderhand een kwart uit van de bevolking. Mogen wij dan ook wat te zeggen hebben?“

Nu hebben we het wel steeds over verandering gehad, maar in wezen hecht hij zeer aan continuïteit. Daar is hij tenslotte jurist voor. “In mijn vak“, zegt hij, “is het recht op continuïteit het allerbelangrijkste. Uitspraken van rechters zijn een toetssteen voor de betrouwbaarheid van de samenleving waaraan we deelnemen.“

Dan moet hem, lijkt me, de huidige tendens om het recht te politiseren wel verontrusten. Zo'n fractievoorzitter van het CDA die bij een rechterlijke uitspraak die hem niet zint, ijskoud verklaart dat die onacceptabel is...

“Maar dat komt“, zegt hij, “toch doordat de rechterlijke macht zo knap weerstand biedt. Nee, ik ben echt niet bang dat die onder de druk zal bezwijken.“

“Toch typisch“, zeg ik, “dat we justitie nu als een bolwerk van beschaving en betrouwbaarheid moeten beschouwen. Destijds was het nog gewoon klassenjustitie.“

“Wat dat betreft is er niets veranderd“, zegt hij geamuseerd. “Justitie staat nog steeds voor het establishment. Alleen het establishment is veranderd - dat zijn wij nou.“

En: “Zoals wij nu terugkijken op de jaren zestig, zo keken onze ouders toen terug op de crisis- en oorlogsjaren. Zijn we dan bevoorrecht of niet?“

(KVP - Katholieke Volkspartij; PPR - Politieke Partij Radikalen; CPN - Communistische Partij van Nederland)

Rectificatie / Gerectificeerd

Bij het interview met Erik Jurgens De jaren zestig en daarna (4 januari, pagina 20) is de naam van de auteur weggevallen. Het artikel werd geschreven door Koos van Zomeren.