Pabo gaat eerstejaars strenger beoordelen

Studenten op de lerarenopleiding voor het basisonderwijs kunnen niet goed rekenen, bleek gisteren uit een onderzoek. Een oud probleem, zeggen betrokkenen. “De politiek mist het lef om eisen te stellen bij de toelating.“

Daar gaan we weer. Dat is de overheersende gedachte bij docenten en bestuurders van de pabo's, de lerarenopleiding voor het basisonderwijs. Weer is de pabo negatief in het nieuws, weer gaat het om de gebrekkige vakkennis van aanstaande onderwijzers.

Gisteren werd bekend dat meer dan de helft van eerstejaars pabo-studenten slechter rekent dan de beste twintig procent van leerlingen uit groep acht van de basisschool. Met een zekere gretigheid werd het onderzoeksresultaat in alle media gemeld. De juf kan niet rekenen, dat gruwelbeeld spreekt tot de verbeelding.

“Zeker komkommertijd“, dacht Gerrit Dedden, decaan van de School of Education - zoals lerarenopleidingen tegenwoordig heten - van de Christelijke Hogeschool Windesheim in Zwolle. “Natuurlijk hebben we een probleem, maar dat hebben we al twintig jaar. De taal- en rekenvaardigheid van de eerstejaars schiet te kort. Maar na vier jaar scoren ze heel fatsoenlijk. De slechte studenten zijn dan ook verdwenen.“ Van de circa tweehonderd eerstejaars van Windesheim verlaat 25 procent na een jaar de opleiding. Na twee jaar is dat dertig procent.

Het probleem is vooral de kwaliteit van de instroom, zoals de eerstejaars in onderwijsland heten. De pabo stelt wat vakken betreft geen toegangseisen, een diploma havo, vwo of mbo-4 volstaat. De groep mbo-leerlingen, meestal met een opleiding onderwijsassistent achter de rug, is de laatste jaren sterk toegenomen. Juist die groep is zwak in taal en rekenen. Gezien het verwachte lerarentekort over een paar jaar is het echter ondenkbaar om die toevoer af te sluiten. Tot vreugde van de pabo's werd de tijdelijke toegang voor studenten met mbo niveau 3 begin vorig jaar wel gesloten. Hun niveau was te laag.

Dedden: “Het zou ook zonde zijn, want je verliest dan veel gemotiveerde mensen. De mbo'ers zijn vaak zeer geschikt om met jonge kinderen te werken, maar minder voor de hogere groepen. Voorheen deden ze sociaal-pedagogisch werk, nu de opleiding voor onderwijsassistent. Alleen doen ze met dat diploma een driejarige in plaats van vierjarige pabo. Dat zou eigenlijk gewoon vier jaar moeten zijn.“

Een ander probleem is het niveau van het wiskundeonderwijs in het voortgezet onderwijs, zegt Jan de Lange, directeur van het Freudenthal Instituut, expertisecentrum voor wiskunde- en rekenonderwijs. “Dat de onderwijzers zwak binnenkomen is al jaren bekend. De enige oplossing is om hogere eisen te stellen bij de toelating, maar de politiek mist het lef om dat te doen.“

Alle recente vernieuwingen in het voortgezet onderwijs hebben voor chaos gezorgd, volgens De Lange. Havo- en vwo-leerlingen hebben soms al jaren niet meer met cijfers gewerkt. “Zowel de basisvorming in de onderbouw als de Tweede Fase in de bovenbouw hebben geleid tot verlaging van het niveau van het wiskunde-onderwijs.“ De komende aanpassing van de Tweede Fase biedt volgens De Lange geen soelaas. Het aantal verplichte uren wiskunde is gering.

Minister Van der Hoeven (Onderwijs, CDA) heeft besloten om wiskunde vanaf augustus 2007 niet langer verplicht te stellen in het havo-profiel Cultuur & Maatschappij. Veel pabo-studenten hebben juist dit examenprofiel achter de rug. De HBO-raad, koepelorganisatie van de hogescholen, eiste vorig jaar vergeefs dat wiskunde verplicht wordt gesteld voor alle pabo-studenten. Zonder wiskunde kan de kwaliteit van toekomstige onderwijzers niet worden gewaarborgd, stelt de HBO-raad.

Wel zijn de minister en de hogescholen in april vorig jaar overeengekomen dat alle pabo's vanaf augustus 2006 een zogenoemd bindend studieadvies invoeren. Eerstejaars worden bij binnenkomst getoetst op hun reken- en taalvaardigheden, krijgen een jaar om eventuele tekortkomingen weg te werken, en maken aan het einde van het eerste jaar opnieuw een toets. Als ze nog steeds onvoldoende scoren, moeten ze de opleiding verlaten. Veel pabo's werken al met zo'n advies, maar tot nu is er geen landelijke standaard. Afgewezen studenten kunnen overstappen naar een minder strenge pabo.

Hogeschool InHolland begint deze zomer met een introductieprogramma voor aanstaande pabo-studenten. In tien bijeenkomsten worden al ingeschreven eerstejaars van de InHolland-pabo's in Rotterdam, Den Haag en Dordrecht voorbereid op de starttoets voor Nederlands en rekenen in september. Op dit moment zakt tussen de zeventig en tachtig procent van de eerstejaars voor deze toets.

Doel van alle inspanningen is om de aanstaande onderwijzers naar het niveau te krijgen van goede groep acht-leerlingen. Is dat wel ambitieus genoeg? Jan de Lange: “Ik vind dat een nogal treurige ambitie. Als onderwijzer moet je natuurlijk meer weten dan de leerling. Je moet boven de stof staan.“

    • Mark Duursma