Onderneem tot je erbij neervalt

Burgers die het vertrouwen in de politiek hebben verloren, trekken zich niet terug uit het publieke domein, maar voelen zich daaruit verdreven, meent Tom Zwitser. Volgens Ton Horrevorts moet het kabinet de burger serieus nemen, niet door het te zeggen, maar door het te doen.

Het artikel van Mark Bovens en het interview met Jaap van Duijn (Opinie & Debat, 31 december) hadden heel goed naast elkaar afgedrukt kunnen worden. Strikt genomen gingen ze over verschillende dingen, maar op de achtergrond presenteren ze een mensvisie die een openlijke dialoog mag worden.

Van Duijn kenschetst de huidige Nederlander als een manager en betreurt de ondergang van de gedreven ondernemer die bereid is risico's te nemen. De overgang van ondernemer naar manager is volgens hem de overgang van innoveren naar beheren. De ondernemer vernieuwt en innoveert, de manager stuurt processen aan en bant alle risico's uit.

Van Duijn hekelt in navolging van de manager ook het incidentenbeleid van politiek en media. Hij plaatst de politiek en economisch handelen toch in een breder en algemener klimaat: dat van het uitbannen van risico's en het opbouwen van zekerheden, garanties en waterdichte regelingen. Dan hoeft de politicus na afloop over zo min mogelijk dingen zijn excuses aan te bieden. De politicus en de manager schuiven hier probleemloos in elkaar.

Waar Van Duijn een meer fundamentele kritiek heeft op het Nederlandse publieke klimaat, heeft Mark Bovens dat juist niet. Hij is minder kritisch naar het geheel; volgens hem slaagt de regering er niet in zich te profileren. De burger heeft in het algemeen weinig vertrouwen meer in de overheid, en meer specifiek in het kabinet-Balkenende.

Bovens lijkt als volgt te redeneren: Heeft de burger weinig vertrouwen? Wat kan en moet de overheid vervolgens doen om dit vertrouwen weer te herstellen? Met andere woorden; de overheid zal zich moeten profileren en concrete punten scoren.

Vertrouwen lijkt voor Bovens een imagokwestie te zijn. Goede politiek lijkt hier gevaarlijk dicht bij goede pr te komen. Als een empathische bestuurswetenschapper stelt hij de lezer gerust dat de vertrouwenscrisis deels ook gewoon haar tijd moet uitzieken. Gewoon wachten op een economische opleving, straks weer een kabinet met wat meer maatschappelijk draagvlak en het vertrouwen is weer hersteld. Het komt en gaat. Op en neer. Golfbeweginkje. En strakjes komt het gewoon weer. Burger blij, politiek blij.

Volgens Bovens treft men het grootste wantrouwen tegen de overheid aan bij ,,de relatief laag opgeleide en onkerkelijke lagere middenklasse, bijna een derde van de bevolking. Deze klasse lijkt zich steeds verder uit het publieke domein terug te trekken. Als oplossing biedt hij de bestuurders aan dat ze de leefomgeving van deze grote groep burgers veilig, overzichtelijk en vertrouwd moeten maken.

Hier gaat Bovens de mist in. Het is juist zo dat deze groep burgers niet gepaternaliseerd wil worden door politici die stuk voor stuk hun ideeën hebben die stuk voor stuk hun ideeën hebben hoe ze het de burger zo goed mogelijk naar de zin kunnen maken. Deze grote groep burgers wil vrijheid, ademruimte en wil niet ingeperkt worden door doolhoven van regels,talloze subsidies met uitgebreide reglementen, belastingen en zich profilerende risicomijdende politici.

Natuurlijk wordt de gemiddelde burger ook luier en materialistischer wanneer hij merkt dat alles op zijn wensen wordt afgestemd. Voor alles worden polls onder de mensen gehouden. In alles wordt de burger om zijn mening gevraagd en deze mening wordt direct als een economische of politieke vraag opgevat waarvoor een aanbod moet worden aangemaakt. Nieuwe targets, nieuwe processen.

Wanneer de burger merkt dat alle winden gaan waaien naar de willekeurige stand van zijn oren, wordt de burger een potentaat, waar Bas Heijne het onlangs over had (Opinie en Debat, 24 september, 8 oktober en 22 oktober). Maar ik weiger te geloven dat Heijnes verwende burgers dezelfde zijn als de groep die Bovens uit het publieke domein ziet verdwijnen. Ik heb een ander beeld van die verstommende groep en vat deze op als de groep die nog risico's wil nemen, als de groep die nog over gezonde ondernemersgeest beschikt die Van Duijn ingesneeuwd ziet raken door beheersingsdenken van managers.

Juist de concrete dreiging vanuit de politiek en de economie legt deze grote groep een zwijgen op. Deze mensen beschikken niet over de ultraredelijke vergadermentaliteit waar de managers en politici wel over beschikken.

Deze burgers vinden dat politici van hun leefomgeving, van hun privéterrein moeten afblijven en zich niet moeten inlaten met het overzichtelijk en vertrouwd maken daarvan. Daar kunnen ze zelf wel voor zorgen.

Bovens is in deze zin naïef. Economisch gezien geldt dit ook: het zijn vaak de mbo'ers en lager opgeleiden die willen ondernemen en fouten durven maken. Maar nu een faillisement direct een verbanning uit de maatschappij betekent, lijkt deze groep ook zijn lef kwijt te raken. Zij weten als geen ander hoeveel mislukking nodig is voordat men een succesvolle onderneming heeft. Ze zijn nog niet “besmet' door een al te procesbeheersende managementgeest.

Maar in het huidige ondernemersklimaat (steeds meer een managersklimaat) begint dat te wankelen. Als deze grote groep zich van de politiek afkeert en zich uit de actieve economie terugtrekt, is dat een teken aan de wand.

De banden tussen hen en de politiek en economie worden doorgesneden door de targets- en profileringscultuur. Het is niet zo dat ze zich (volgens Bovens) uit het publieke domein terugtrekken, maar eerder zo dat ze zich uit het politieke domein verdreven voelen worden. Deksel op de neus. Ze worden zoals elke Nederlander wel gepolst naar hun mening, maar alleen met vragen die passen in de huidige scoringsdrift. Stel ze eens open vragen, dat zou een beter beeld van hen geven en laten zien dat ze zo hun eigen gedachten hebben over hun ingeperkte leefomgeving, over politiek en economie. Nog beter is om het vragen geheel achterwege te laten en de burgers gewoon weer de vrijheid, zowel privé als economisch, te geven waaraan ze gewend waren. Stuk voor stuk zullen het geen geleerde economen of bedrijfskundigen zijn, maar, om het met Van Duijn te zeggen; ze kennen de praktijk om fouten durven te maken. Ze zijn een te belangrijke drager van de economie.

Veel economische activiteit wordt in toenemende mate ingenomen door midden- en grootbedrijf, waar de scepter vaak door managers gezwaaid wordt. De ouderwetse ondernemers uit de grote bedrijven gaan zo langzamerhand allemaal met pensioen en hun posities worden overgenomen door hoger opgeleide managers die targets moeten halen en alle bedrijfsprocessen moeten beheren en beheersen.

Wanneer een derde van de bevolking uit de publieke ruimte verdwijnt, lijkt het me tijd om de oorzaken eens onder ogen te zien. Managers spenderen er een onderzoekje aan, vergaderen wat en stellen de targets wat bij: wat minder managen en wat meer ondernemen, wat minder kortetermijnoriëntatie en wat meer risico, wat minder procesbeheersing en wat meer vakmanschap. Maar dan schuiven de heren managers hun eigen brood van de plank. En dat zal nooit overtuigend gebeuren.

Ingezien moet worden dat kortetermijnoriëntatie en beheersingsdenken zowel de economie afremmen als wel het ondernemende leven in de weg staan. Daarom is er nog één oplossing, à la Van Duijn, vooral voor de grote groep die nu het vertrouwen in de overheid kwijt lijkt te zijn: ondernemen tot je erbij neervalt.

Tom Zwitser is filosoof en ontwerper in de publieke ruimte.

    • Tom Zwitser