Irans blootvoetigen hopen dat het beter wordt

De Iraanse president Ahmadinejad is gekozen door de armen. Zijn leefwijze en leuzen sloegen aan. Maar in Pakdasht, een stad vol stille armoede, is men nog niet erg tevreden over zijn resultaten.

Members of Iran's 'mostazafan', (Iran's ' barefooted' poor) are cheering at celebrations marking the anniversairy of the Islamic Revolution on Azadi square in Tehran. During the presidential elections of june 2005, most of Iran's poor voted for Ahmadinejad, expecting social change. Newsha Tavakolian/Polarisimages

Op iedere straathoek in de Iraanse stad Pakdasht staat een groot reclamebord. Maar de leden van het onofficiële leger van armen, de mostazafan (blootvoetigen) die erlangs lopen, worden niet geconfronteerd met aanprijzingen van shampoo of vakantie-aanbiedingen. Portretten van martelaren uit de Iraans-Iraakse oorlog (1980-1988) staren hen overal aan. Hier stemde afgelopen zomer bijna iedereen in de presidentsverkiezingen op Mahmoud Ahmadinejad. “Hij zal ons leven beter maken“, hoopten velen.

Pakdasht is een satellietstad van Teheran. Voor de 300.000 inwoners is het óf transithal vanuit de provincie, óf het eindpunt na een mislukt avontuur in de harde Iraanse hoofdstad. De meeste van de ongeveer 70 miljoen Iraniërs zijn sinds de islamitische revolutie (1979) naar de stad getrokken. Er zijn duizenden steden zoals Pakdasht. Vrijwel overal hebben mensen te kampen met (stille) armoede.

“Er is hier zoveel armoede, sommige mensen hebben hele dagen niets te eten“, zegt Rasoul Asgari (33). Zijn winkel, waar hij hoofddoeken verkoopt, loopt goed, alhamdulillah, God zij gedankt. Maar naar Teheran zou hij niet kunnen verhuizen. “Veel te duur.“

Asgari riep in juni iedereen op om op Ahmadinejad te stemmen. “Mijn gevoel bij hem is goed. Hij leeft zoals wij“, zegt de hoofddoekenverkoper. Deze week maakte Ahmadinejad, inmiddels president geworden, een lijst van zijn bezittingen bekend. Hij rijdt in een 30 jaar oude Peugeot 504, woont in een appartement van 127 vierkante meter in een lagere-middenklasse wijk en heeft twee bankrekeningen, waarvan één leeg. “Ahmadinejad gaat ons leven verbeteren“, zegt Asgari.

Armoede en soberheid, voedingsbodem van de islamitische revolutie, staan weer in het middelpunt van de belangstelling in Iran. In vergelijking met de periode van voor de revolutie is het Iraanse maandinkomen relatief gedaald. Het gemiddelde maandloon is nu ongeveer 175 euro. President Ahmadinejad wil terug naar de basiswaarden van de revolutie. Verbetering van het leven van de mostazafan en vergroting van de sociale rechtvaardigheid zijn daar twee speerpunten van.

“Het gewone volk en de armen hebben op Ahmadinejad gestemd wegens diens economische leuzen“, vertelt Ramin Jahanbegloo, een vooraanstaande intellectueel. “Ze willen een einde aan de economische corruptie en een verbetering van hun levensstandaard.“ Volgens Jahanbegloo speelt Ahmadinejad met vuur. “De beurs is ingestort sinds hij president werd, er is een kapitaalvlucht gaande en inflatie neemt toe. Als de armen geen verbetering zien, zouden ze wel eens ontevreden kunnen worden. Dat is gevaarlijk in Iran.“

In Pakdasht heerst al onvrede. “Mijn vrouw, drie kinderen en ik hebben al een jaar geen vlees gegeten“, zegt Hossein Dokht (38). De vrachtwagenchauffeur zegt dat de prijzen in Iran veel sneller omhoog gaan dan zijn salaris van 150 euro per maand. “Vorige maand heb ik mijn tweede baan als banketbakker al verloren. De politie zegt dat ik maar moet gaan stelen, zo erg is het al.“

Pakdasht heeft nog het geluk om aan de belangrijke snelweg tussen Teheran en Mashad te liggen. “Bij ons is het beter dan in andere soortgelijke steden in Iran“, zegt Mansour Kharkhane (53), lid van de gemeenteraad. Zelf verdient hij 250 euro per maand. “Gelukkig heb ik nog een pensioen dat het aanvult“, zegt hij. Volgens het gemeenteraadslid kunnen de problemen van inwoners van steden als Pakdasht alleen worden opgelost door de centrale overheid in Teheran. “Wij kunnen niet veel veranderen hier, het is allemaal macro-economie.“

Dat armoede soms extreme uitingen kent, heeft Pakdasht geweten. In maart 2005 werd de “woestijnvampier' hier opgehangen op het centrale plein. De man, Mohammed Bijeh (24), had 22 kinderen vermoord en zonder ingewanden achtergelaten in de woestijn. Volgens inwoners van Pakdasht verkocht hij de organen van de kinderen aan hoge bieders. Organenhandel is semi-legaal in Iran.

Het belangrijkste sociale vangnet voor armen is ook in Pakdasht actief. De Imam Khomeiny Hulp Stichting geeft geld aan kinderen en bejaarden die in de problemen zitten. “We geven voornamelijk noodhulp“, zegt Nabih Akhbarzadeh die op de vestiging in Pakdasht werkt. Maar vaak maakt de stichting uitzonderingen op deze regel.

“Onlangs kwam er een man die de bruidsschat voor zijn dochter niet bij elkaar kon krijgen, die hebben we een aantal tapijten gegeven. Dat soort dingen doen we ook hier, naast geldgiften. Die mensen zijn niet heel arm, maar hebben heel weinig financiële armslag.“

Maar vrachtwagenchauffeur Hossein Dokht hoeft niet bij de stichting aan te kloppen. “Je kan toch werken“, zeggen ze tegen me. Maar ik werk al zeven dagen per week“, zegt Dokht. De vader van drie kinderen heeft het vertrouwen in de staat bijna opgezegd. “Ik zou wel naar Ahmadinejad willen gaan om hem over onze problemen te vertellen, maar dat kan niet. Ze laten ons niet meer toe. Zo gaat het altijd in Iran. Mooie plannen, maar daarna?“