Hoop en vrees

Tussen het einde van het Einsteinjaar (Algemene Theorie van de Relativiteit) en het begin van het Rembrandtjaar (licht en donker) heeft zich nog net Gerrit Zalm weten te wurmen met een Algemene Theorie van de Relativiteit van de Armoede. De minister van Financiën veroorloofde zich in het Algemeen Dagblad de opmerking dat armoede een betrekkelijk begrip is. Daar is niets tegenin te brengen. Noch tegen de algemene relativiteit van het begrip armoede, noch tegen de speciale vergelijking die de minister trok met de jaren vijftig, toen het welvaartsniveau in Nederland aanzienlijk lager lag dan nu.

Toch kwamen er heftige reacties van de oppositiepartijen. Volgens de PvdA was de constatering van Zalm een poging om te verdonkeremanen dat het kabinet de armoede in Nederland heeft vergroot. GroenLinks nodigde de minister uit voor een bezoek aan een voedselbank. De SP beschuldigde hem zelfs van een “provocatie'.

Verwonderlijk, hoe iemand met zo'n platitude mensen zo boos kan krijgen. Het hangt er, zoals de minister zei, maar van af hoe je armoede definieert. Het vloedgolfje protesten tegen de uitspraak van de minister kan dan ook geen betrekking hebben op wat hij zei, maar hooguit op de onuitgesproken achterliggende boodschap dat de mensen niet zo moeten zeuren.

Dat mensen in Nederland gemiddeld minder arm zijn dan in de jaren vijftig is een feitelijke constatering. Daar kan de verontwaardiging van de oppositie dus niet mee verklaard worden. Die zou pas begrijpelijk zijn als Zalm zou hebben gezegd de sociale uitsluiting van een groeiend aantal mensen acceptabel te vinden. Misschien heeft hij dat wel bedoeld, maar het probleem van structurele marginalisering van de laagst betaalden en bijstandsgerechtigden is van een andere aard dan het gebrek aan welstand tijdens de wederopbouw van de jaren vijftig.

Zalm zegt: tel uw zegeningen. Het ironische van de vergelijking met de jaren vijftig is dat regeringen in West-Europa toen precies hetzelfde zeiden tegen de generaties die na de ellende van de crisistijd tijdens de Grote Depressie en de verschrikkingen van de oorlogsjaren hun spreekwoordelijke boterham met tevredenheid konden eten.

Beroemd is de uitspraak van de Britse conservatieve premier Macmillan uit 1957: “You never had it so good.“ Daar won hij de verkiezingen mee en Labour, dat onder leiding van mensen als Bevin voor het eerst een vorm van sociale zekerheid tot stand bracht, had het nakijken. Houden wat je hebt, was de overheersende gedachte.

Die gedachte, dat instinct, “houden wat je hebt', is een impuls om sociale verworvenheden te beschermen maar kan ook bijdragen aan de uitsluiting van nieuwe groepen have-nots. De kritiek op Zalm dat hij het armoedeprobleem bagatelliseert slaat de plank mis. Armoede is relatief, maar dat zegt niets over het werkelijke probleem, namelijk dat armoede leidt tot sociale uitsluiting en daarmee tot onoverbrugbare kloven in de samenleving.

De Amsterdamse burgemeester Cohen waarschuwde daartegen in zijn nieuwjaarsspeech. In het relativeren van armoede als zodanig deed hij niet onder voor Zalm (er zullen altijd minderbedeelden zijn, instroom van armoede zit in het karakter van de stad) maar de reproductie ervan moet worden voorkomen. “Wij als samenleving moeten zorgen dat armoede iets tijdelijks is, een fase waar je op eigen kracht én met hulp van de samenleving uit kan groeien.

Het alternatief is een gesegregeerde samenleving, waar mensen zich niet opwerken maar alleen maar achteruitgaan. En dat is een samenleving waarin we er allemaal op achteruitgaan.“

Voor zover in Nederland sprake is van een politiek debat, wordt daarin een appèl gedaan op twee verschillende, diep menselijke drijfveren: hoop en angst. De hoop op vooruitgang, omdat leven en handelen zonder hoop onze krachten te boven gaat, en daar tegenover de angst juist datgene kwijt te raken wat vaak met zoveel moeizame en langdurige inspanning tot stand is gebracht.

Hoe sterk je vooruitgangsgeloof ook is, niemand kan zich verzekerd weten van de duurzaamheid van wat op materieel en democratisch gebied is bereikt. Daarom is het soms moeilijk te geloven dat zo'n toestand, waarin armoede weliswaar bestaat maar naar verhouding meer mensen dan ooit het beter hebben dan ooit, onbekommerd kan voortduren. We leven tussen hoop en vrees. We verheerlijken onze verworvenheden maar zijn ook bang dat “de spoeling te dun wordt' of - nog angstiger - dat de samenleving wordt bedreigd door terrorisme en islamitisch fundamentalisme.

In zijn roman Saturday laat Ian McEwan zijn hoofdpersoon de zegeningen van deze tijd tellen tegen de achtergrond van een gevoel van angst en dreiging in hedendaags Londen. “Als het huidige bestel op dit moment wordt weggevaagd, zal de toekomst op ons terugkijken als goden, zeker in deze stad, gelukkige goden gezegend met rijk voorziene supermarkten, stromen toegankelijke informatie, warme kleren die niets wegen, langere levensverwachtingen, wonderapparaten.“ (Vertaling Rien Verhoef.) Zo verweert hij zich tegen de gedachte aan crisis, oorlog, islamitisch terrorisme, klimaatveranderingen, de internationale handelspolitiek, “honger armoede en de rest“.

Zijn angst voor de mogelijkheid dat de vooruitgang het tegen deze dreiging aflegt, probeert hij uit alle macht te bezweren met een lofzang op het leven in Londen. “Zoiets goeds geef je niet op. Het leven is er in de loop der eeuwen voor de meeste mensen gestaag verbeterd, ondanks de huidige junkies en bedelaars. De lucht is beter en in de Theems springt zalm, en de otters keren terug. Op elk niveau, materieel, medisch, intellectueel, zinnelijk, zijn de meeste mensen erop vooruitgegaan.“

Het vooruitgangsgeloof contra de angst is vervat in een citaat van de door McEwan's hoofdpersoon bewonderde neurochirurg en Nobelprijswinnaar Peter Medawar (1915-1987) die heeft gezegd dat “het de ergste vorm van domheid is om de spot te drijven met de hoop op vooruitgang - de armoede van geest en de bekrompenheid ten top“.

Die hoop op vooruitgang wil ik graag blijven koesteren. Wat mij meer moeite kost, opgegroeid als ik ben in de jaren vijftig waarover Zalm sprak, is de erkenning dat er ook achteruitgang mogelijk is. Vooruitgang is geen historische wet, welke kant het opgaat hangt van onszelf af, het is ieders verantwoordelijkheid.

    • Elsbeth Etty