Balkenende, Bos en de economie

Goed zestien maanden nog tot de volgende periodieke Tweede-Kamerverkiezingen. Niettemin begint het gezelschapsspel WieGaatStraks MetWie? (WGSMW) aardig op gang te komen. Dit keer is het trouwens, anders dan vaak in het verleden, de PvdA die dat spel spannend houdt. Want waar regeringspartijen als CDA en VVD ondanks slechte opiniecijfers hun voorkeur voor ook toekomstige samenwerking blijven belijden, neemt de fractieleider van dePvdA in de Tweede Kamer, Wouter Bos, immers aangaande toekomstige coalities om tactische redenen dezelfde “onduidelijke' positie in die christen-democratische partijen in het politieke centrum vroeger werd verweten. Oppositieleider Bos, die zich in de peilingen door een derde deel van het electoraat gesteund weet en die zich op weg lijkt te bevinden naar een premierschap, wil zich niet vastleggen - evenmin als wijlen de KVP ooit - op toekomstige samenwerking met rechts (CDA) of met links (GroenLinks en SP). Nu ja, iedereen weet natuurlijk best, of kan weten, dat Bos straks liefst gaat regeren met het CDA als kleinere partner. Zoals hij in feite ook aangaf in een oudejaarsinterview in de Telegraaf (bij voorkeur een coalitie die een flinke parlementaire meerderheid garandeert). Dat valt te begrijpen, want binnen een eventuele kleine linkse meerderheid zou hij - nog afgezien van allerlei programmatische schrikbeelden - straks de gevangene van de partijen van mevrouw Halsema en de heer Marijnissen zijn. Wat - nog afgezien van de nationale consequenties van zo'n verbond - op termijn een electorale ramp voor de PvdA zou betekenen. Een ramp die ook veel ongedaan zou maken van het saneringswerk in de PvdA van Bos sinds zijn aantreden als partijleider.

Kortom, de liefhebbers van het WGSMW-spel zij de komende zestien maanden nog veel aangename uren toegewenst, maar de volgende coalitie wordt ofwel dezelfde als nu of een van PvdA en CDA. It's the economy, stupid!, kon Bill Clinton met recht zeggen toen hij de oude heer Bush het presidentschap afpakte. Dat is in Nederland ook zo. En nu de economische cijfers en prognoses voor 2006 en 2007 snel verbeteren, vooral dankzij de internationale conjunctuur (en enig Duits herstel) maar ook doordat Balkenende II de nationale economie kennelijk toch zó heeft beheerd dat die daarvan aardig kan meeprofiteren, is het volgens de peilingen bijna vaststaande toekomstige premierschap van Bos daarom nog geen uitgemaakte zaak.

Zestien maanden. Daarin kan veel gebeuren. Twee voorbeelden uit het nog niet zo verre parlementaire verleden om dat te illustreren. Begin 1986 stond het eerste kabinet-Lubbers er na drie jaar regeren beroerd voor in de peilingen. Het was de tijd van het heftige jarenlange kruisrakettendebat, waarin veel kiezers Lubbers letterlijk de rug hadden toegekeerd. Een tijd waarin de CDA-premier wegens massale bezwaren tegen het sociaal-economische beleid van zijn kabinet voor het gebouw van de SER in een stevige vechtpartij terechtkwam. CDA-minister Onno Ruding (Financiën), die toentertijd diende als een rode lap voor de PvdA-oppositie, wekte grote woede door het begrip armoede te relativeren met verwijzing naar een imaginaire “Tante Truus'. Onderwijs- en welzijnsorganisaties liepen te hoop tegen bezuinigingen van de CDA-ministers Deetman en Brinkman. Ik woonde destijds tegenover een protestants-christelijke basisschool, die een flink tijdje een spandoek met de tekst “Deetman, je kan er geen reet van' aan de pui had hangen. Het was de tijd waarin een PvdA-Kamerlid, oud-minister Stemerdink, Amerikaanse senatoren brieven schreef met het advies niet mee te werken aan een overeenkomst met Nederland (over de kruisraket) omdat dePvdA spoedig aan de macht zou komen en die overeenkomst dan direct zou verscheuren (al kan dat niet bij een volkenrechtelijk bindende overeenkomst tussen regeringen). Hoe liep dat af bij de verkiezingen in 1986? Lubbers sprong van 45 naar 54 zetels en kon, weer met de VVD, die negen zetels had verloren, zijn tweede kabinet vormen.

Tweede voorbeeld. Najaar 2001, laatste fase van het tweede kabinet-Kok, dat in de Nederlandse polders mooie economische jaren heeft beleefd. Het poldermodel heeft zelfs een internationale voorbeeldfunctie gekregen. PvdA en VVD staan er als coalitiepartners alle twee goed voor in de peilingen, hun gevecht en hun interne deliberaties betreffen vooral de vraag wie de grootste wordt en dus in 2002 de premier mag leveren. Het CDA, sinds een grote nederlaag in 1994 verder weggekwijnd in de oppositie, verjaagt zijn derde leider in zeven jaar (na Brinkman en Heerma is De Hoop Scheffer aan de beurt) en moet de verkiezingen van 2002 in onder een eigensoortige debutant: Balkenende. Die maakt, terwijl de economie en de beurs als een steen vallen, geen oorlog met Fortuyn, haalt kalmpjes 42 zetels en is even later premier. En een paar maanden later zelfs 44 zetels, en een hernieuwd premierschap in een coalitie die in de peilingen intussen allang zwaar op verlies staat.

Een vraag voor de komende zestien maanden die het lot van Balkenende en Bos verbindt: wordt de aanzienlijke electorale afkeer van Balkenende c.s. alsnog verdrongen door electorale vreugde over economisch herstel? Zo ja, wordt hij wéér premier. Zo nee, wint Bos en wordt premier van een PvdA/CDA-kabinet. In dat geval heeft het CDA nog wél een restprobleem: hoe voorkomen we alsdan dat Balkenende fractievoorzitter in de Tweede Kamer wordt?