Nieuwe vrienden

In ons vermogen elkaar aardig te vinden gaan we altijd achteruit, schijnt het. Het kan de leeftijd zijn, of de tijdgeest. Als ik in een bittere bui ben geef ik de schuld aan de tijdgeest. Of als ik de e-mails lees die ik krijg vanwege mijn column.

E-mail spoort op de een of andere manier aan tot onaardigheid. Men leest zijn tekst niet na, zoals vroeger bij brieven, men wordt niet meteen van repliek gediend, zoals bij de telefoon. E-mail en internet lenen zich voor hatelijkheid; misschien denk ik daarom dat er nu meer haat is dan vroeger.

Vroeger kon ik mensen makkelijker aardig vinden, kinderen maken gemakkelijk vrienden. Ik herinner me dat ik, toen ik een jaar of zes was, ergens ver weg in het westen van Suriname, een jongen zag zitten bij een groot verlaten grasveld. Hij paste op een koe en haar kalf. Ik ging naast hem zitten. We wisselden geen woord, maar we waren sindsdien vrienden.

Hij is nu een rijstboer in deeltijd. In het andere deel is hij opzichter op een plantage voor Chiquita-bananen, u weet wel, die van de reclame met kikkers waarin ze beweren het op te nemen voor het regenwoud. Nadat ze het hebben opengekapt om die plantages aan te leggen, wel te verstaan. Ook heeft mijn vriend nu twee dochters en geldgebrek.

Ik ben goed op de hoogte, maar zouden we nog vrienden zijn? Zouden we nu weer vrienden worden als hij zijn koe en haar kalf liet grazen en ik naast hem ging zitten, zonder een woord te wisselen?

Twee jaar later, toen wij naar Paramaribo verhuisden, gebeurde het weer. Naast ons woonde een zwart jongetje, ik had nog nooit een zwarte jongen gesproken of aangeraakt. Hij riep mij naar zich toe en stak zijn pink uit. Dat was een code, we haakten onze pinken aan elkaar en legden daarmee een eed af van eeuwige vriendschap.

Die jongen is nu een man van in de veertig en in moeilijkheden. Hij is altijd in moeilijkheden, als moeilijkheden bijen zijn is hij de zuiverste honing. In de zomer ontving ik een brief van een advocatenkantoor - advocaten zijn de enigen die nog brieven schrijven, alle anderen sturen e-mails - waarin hij liet weten dat hij te bezoeken was in de Wenckebachweg te Amsterdam. Dat is de Bijlmerbajes. Ik heb hem niet bezocht.

Vroeger had ik het gedaan, ik heb hem vaker in gevangenissen opgezocht, ik bracht dan mee wat hij nodig had, sportkleding en deodorant, en dan lachten we als ik vroeg waarom hij hier deodorant nodig had. Maar ik doe het niet meer, ik heb wel het voornemen, maar ik zie het nut niet.

Alsof vriendschap nuttig moet zijn.

In mijn studietijd had ik ook veel vrienden. Er was een vriend die net als ik de studentenflat niet kon verlaten tijdens de kerstdagen, omdat we geen familie in Nederland hadden. Vriendschap werd gesloten op basis van licht: waar er tijdens de kerstavonden nog licht brandde, woonde een lotgenoot die ook geen familie in Nederland had en verlegen zat om gezelschap. Aanbellen, een paar Bavaria-biertjes als geschenk meenemen, en de vriendschap was bezegeld.

Van alle vrienden die ik zo leerde kennen was deze wel de merkwaardigste. Hij bleef ook na de kerst trouw komen, soms nam hij Bavaria`s mee, maar hij ging zitten op een stoel van waaruit je de kleine zwartwittelevisie niet kon zien en zei geen woord. Hij deed me denken aan mijn Chiquitavriend. Stelde ik prijs op zijn gezelschap? Beter is het om te zeggen dat ik hem niet hinderlijk vond, ik vond hem nooit hinderlijk en dat is ook vriendschap. Maar ik ben hem uit het oog verloren. Misschien heeft hij twee dochters en geldgebrek, wie weet. Hij heeft in ieder geval geen advocaat die mij brieven schrijft, zo erg zal het dus niet zijn.

Toen ik ging werken werd vriendschap moeilijker. De Amerikaanse komiek Jerry Seinfeld heeft in een van zijn afleveringen een sketch waarin hij zegt dat het erg moeilijk is om na je dertigste nieuwe vrienden te maken. Wat je aan vrienden hebt is een groep, en die groep is af. We zijn niet op zoek naar nieuwe leden, er zijn geen vacatures en open-sollicitaties worden niet op prijs gesteld, welke kwalificaties u ook heeft, sorry.

In dezelfde sketch maakt Seinfeld de opmerking dat je, als je op tijd bent, helemaal geen kwalificaties nodig hebt om vriendjes te worden. Er gewoon zijn en je pink uitsteken is voldoende.

Laat ik zeggen dat vriendschap moeilijker wordt omdat je er zoveel over gaat nadenken, terwijl vriendschap bestaat bij gratie van onnadenkendheid. Je gaat nadenken over het nut. Nee, niet alleen het nut dat de vriend voor jou heeft, maar ook het nut dat jij hebt voor de vriend. Ik denk dat je, naarmate je ouder wordt, steeds meer betekenis gaat hechten aan wat je voor elkaar kunt betekenen.

Als je ouder wordt, word je berekenender, omdat aftakeling en dood gevaarlijk dichtbij komen. Vriendschap op latere leeftijd wordt dus steeds doelgerichter, steeds meer vervlochten met belang, steeds meer gericht op persoonlijke redding, steeds minder onbevangen. Vriendschap op latere leeftijd lijkt per definitie corrupt: jij redt mij en ik red jou, ten nadele van alle anderen, en we noemen deze oneerlijke voortrekkerij vriendschap, proost.

Dan komt, geloof ik, de laatste fase: als je echt pech hebt en echt ongeluk meemaakt, je bezit kwijtraakt of je verstand en meestal allebei, en je old boys network plotseling niet blijkt te werken.

Het duurt even voor je over dit verraad heen bent, je blijft soms lang hangen in de midlife crisis, wat alleen een ander woord is voor het besef dat het altijd al bedrog is geweest, de bescherming door vrienden, en dat je er altijd alleen voor zou staan en dat je zelf ook niet naar de Wenckebachweg bent gegaan. Inzien dat vriendschap niets zal betekenen, dat besef komt moeizaam. Bij vriendschap maak je elkaar iets wijs, maar wijzer moet je er niet van willen worden.

ramdas@nrc.nl

    • Anil Ramdas