`Je kunt inderdaad net zo goed van het dak springen`

Dichter Jan Arends schreef drie weken voor zijn dood een brief aan Rudy Kousbroek waarin hij expliciet zinspeelt op zijn zelfmoordplannen. De brief, die lang onvindbaar was, is vorige maand opgedoken.

Jan Arends FOTO Philip Mechanicus Mechanicus, Philip

Op 21 januari is het 32 jaar geleden dat de dichter, schrijver en huisknecht Jan Arends (1925-1974) zelfmoord pleegde door uit zijn kamer op de vijfde verdieping van het flatgebouw Het Nieuwe Huis aan het Roelof Hartplein nr. 4 naar beneden te springen. Drie weken voor deze sprong had hij Rudy Kousbroek een brief geschreven, waarin hij hem meedeelde dat zijn leven zo treurig was, dat hij net zo goed van het dak kon springen.

Toen ik bezig was met mijn biografie van Jan Arends belde ik Kousbroek over deze brief die al ter sprake komt in het Engelbewaarder-deeltje (nr. 15) over Arends. Kousbroek had geen idee waar de brief zich bevond, een gegeven dat ik als noot 151 in de biografie Angst voor de winter (De Bezige Bij, 2003) opnam. Ik kon niet bewijzen dat de brief niet bestond, dus hield ik het bij `onvindbaar`.

Gelukkig maar. Want de brief bestaat wel degelijk. Ik kreeg hem eind december van het vorig jaar onder ogen. De envelop met poststempel 31-XII-73 vormt het bewijs dat Arends de brief inderdaad enkele weken voor zijn dood schreef. Behalve een antwoord op de nieuwjaarswens van Kousbroek is de brief tevens een afscheid: `Je wenste mij veel schrijversroem in het komende nieuwjaar. Dat had ik wel gewild toen ik twintig was maar nu niet meer. Schrijvers worden getrapt altijd en overal.`

Kousbroek had een jaar daarvoor een lovende recensie in het Cultureel Supplement van NRC Handelsblad (15 december 1972) geschreven over de verhalenbundel Keefman (1972), waarvoor Arends hem altijd dankbaar is gebleven: `Je hebt werkelijk goed over mij geschreven in het Handelsblad. Maar wie is gelukkig. Een beroemde schrijver kan wel een kreng van een wijf hebben en heeft dan toch een rot leven.` Arends had geen vrouw, maar wel een rot leven: `Ik trap af en toe op de tenen [van] iemand. Mensen schrijven over mij soms ook dingen die niet aardig zijn. Wat ik wil is praten met een ander. Dat lukt niet. Je kunt inderdaad net zo goed van het dak springen.`

De brief lag met andere knipsels in een bundeltje Lunchpauzegedichten (1974) dat zich bevond in de nalatenschap van Ethel Portnoy (1927-2004) de vroegere echtgenote van Kousbroek. Antiquaar Marcel Dikstra kocht het dichtbundeltje voor 1 euro (!) op het Waterlooplein.

`Ik doe er een gedicht bij voor je vrouw. Jullie zijn goed voor mij geweest,` besluit Arends zijn getypte brief. Het eveneens getypte gedicht begint met de strofe

Je leeft

met een strop

om je nek.

Het gedicht eindigt met de regels:

Je bent niet een keer maar een miljard keer ongelukkig

als je schrijft.

Onder dit omineuze gedicht wenst hij Portnoy, in handschrift, `veel geluk`. De dichtbundel Lunchpauzegedichten heeft Arends nog onder ogen gekregen. Twee dagen voor de presentatie maakte hij een einde aan zijn leven. Hij wist dat deze nieuwe bundel niets aan zijn leven zou veranderen.

Precies zoals hij in de eerste regels van de brief aan Kousbroek schrijft. Schrijversroem had hij wel gewild toen hij twintig was, `maar nu niet meer`.

Brief en gedicht van Jan Arends zijn afgedrukt in het nieuwjaarsgeschenk `Schrijversroem` van Antiquariaat Fenix (oplage 111 exemplaren).