Armoede begint bedreiging te vormen

Als we armoede niet bestrijden, leidt dit uiteindelijk tot segregatie en radicalisering, zegt Job Cohen in zijn nieuwjaarstoespraak.

Amsterdam trekt jaarlijks velen aan, studenten, migranten, pioniers, mensen op zoek om hun talenten te ontplooien. En elk jaar weer vertrekken ongeveer even zo velen uit de stad. Meestal welvarender, slimmer of wijzer, vaak met kinderen, altijd rijker aan ervaring. Maarten van Poelgeest (fractievoorzitter voor GroenLinks in Amsterdam, red.) en Leo Platvoet (socioloog en Eerste-Kamerlid voor GroenLinks, red.) noemen in hun boek Amsterdam een emancipatiemachine. Een opwerkfabriek van talent. Die beschrijving vind ik treffend, een mooie karakteristiek van Amsterdam. De verschillende groepen die naar Amsterdam komen, zijn moeilijk met elkaar te vergelijken: de studenten, de expats, de migranten. Maar allemaal worden ze aangetrokken door dezelfde magnetische krachten: de sfeer, de cultuur, de mogelijkheden.

Een stad in het water, waar stroomversnellingen en rustig vaarwater elkaar afwisselen. Waar hier en daar het geld over de kades klotst, maar er elders poelen zijn van stilstaand water. Want in de opwerkfabriek Amsterdam is het niet voor iedereen even gemakkelijk om erbij te horen en mee te doen. Door armoede, door kansarmoede, door sociale uitsluiting. Vele Amsterdammers knopen maar net de eindjes aan elkaar, of eigenlijk net niet. Want om na aftrek van vaste lasten jezelf en twee kinderen te voeden en te kleden voor 70 euro in de maand, dat is onbegonnen werk. Dan red je het niet om voor het talentvolle kind met het goede balgevoel het lidmaatschap van de voetbalvereniging te betalen. Of zelfs maar eens in het jaar een keer met z'n drieën naar Artis te gaan. Of mee te doen met je klasgenootjes op school.

In een dergelijke situatie is het evangelie van de eigen verantwoordelijkheid zinloos, en dus compenseert de gemeente Amsterdam dit jaar met 14 miljoen euro extra de rijksbezuinigingen op de armoedebestrijding.

Het centrale probleem van armoede is dat mensen door vele plagen tegelijk worden getroffen. Slechte huisvesting, slechte gezondheid, psychische problemen en slechte toegang tot voorzieningen gaan vaak samen. Daarbij nemen de problemen exponentieel toe naarmate de armoede langer duurt. Met vervolgens weer alle consequenties van dien: minder kansen op een goede opleiding en minder kansen op een goede baan. Bij deze problemen zijn oorzaak en gevolg na verloop van tijd niet meer te onderscheiden; wat rest is een neerwaartse spiraal.

Nu zult u waarschijnlijk zeggen: in een grote stad zullen er altijd minderbedeelden zijn. Dat is ook zo. Bij het lezen van cijfers over het aantal arme gezinnen in Amsterdam moeten we ons vooral afvragen of mensen die een aantal jaar geleden arm waren dat nu nog steeds zijn. In de opwerkfabriek Amsterdam hoort een zekere mate van armoede er gewoon bij, omdat mensen hier juist komen om hun persoonlijke situatie te verbeteren. Maar zodra mensen in een neerwaartse spiraal terechtkomen, zodra mensen niet alleen arm zijn maar ook structureel kansarm, dan moeten wij als samenleving ingrijpen. Instroom van armoede: akkoord, dat kan de stad aan, dat zit in het karakter van de stad. Maar reproductie van armoede moeten wij kost wat kost voorkomen. Wij als samenleving moeten zorgen dat armoede iets tijdelijks is, een fase waar je op eigen kracht én met hulp van de samenleving uit kan groeien. Het alternatief is een gesegregeerde samenleving, waar mensen zich niet opwerken maar alleen maar achteruit gaan. En dat is een samenleving waarin we er allemaal op achteruitgaan.

Er is nog een reden om armoede, langdurige armoede niet te accepteren. Armoede leidt tot uitsluiting. Wie uitgesloten wordt of zich uitgesloten voelt, voelt zich slecht thuis in onze samenleving. En wie zich niet thuis voelt, gaat op zoek naar een plaats waar hij of zij zich wel thuis voelt. Op zoek naar andere ideeën, andere idealen - die soms radicaal zijn. Ideeën die soms fundamenteel strijdig zijn met de beginselen van onze open en democratische samenleving. Ook dat maken we mee in Amsterdam, en niet alleen bij diegenen die zich vanwege armoede uitgesloten voelen of uitgesloten zijn. Wij zien het ook bij diegenen die zich op grond van hun etniciteit of vanwege hun geloof, de islam, uitgesloten voelen - velen daarvan zijn noch arm, noch kansarm, noch slecht opgeleid. Maar zij voelen zich wel buitengesloten en sommigen van hen zullen daardoor radicaliseren. En radicalisering kan een bron zijn voor rellen of erger. Dat hoeft allemaal niet, maar het kán wel. Dat is een ontwikkeling die mij zorgen baart. Want het is niet goed voor onze samenleving, en het is niet goed voor degenen die radicaliseren. Wij moeten daar dus tegenwicht tegen bieden.

Wat te doen? Ik zeg: in de allereerste plaats: eropaf. Ervoor zorgen, voor zover dat in ons vermogen ligt, dat mensen niet uitgesloten worden. Laat ik daarover duidelijk zijn: dat is tweerichtingsverkeer. Het is nooit alleen de uitgeslotene, het is nooit alleen degene die uitsluit. Iedereen moet bijdragen. Onderwijs volgen, werk zoeken, je best doen, mogelijkheden, hoe klein ook, benutten. Maar ook: géén discriminatie, niet op straat, niet bij de deur van werkgevers, niet bij discotheken, niet bij instanties. Kansen grijpen, kansen bieden.

Kansen bieden. Onderwijs en werk. Hier liggen de mogelijkheden, maar ook de bedreigingen. Zeventig procent van de Amsterdamse leerlingen volgt het vmbo - een opleiding die, zelfs wanneer je die afmaakt, niet altijd leidt tot een startkwalificatie voor de arbeidsmarkt - en lang niet alle leerlingen maken hun vmbo-opleiding af. En dat terwijl wij in de toekomst al die handen en hersenen hard nodig hebben. Laten wij het daarbij zitten? Zeventig procent! Kan dat percentage niet omlaag, nee, moet dat percentage niet omlaag? En geldt dat niet ook voor het percentage leerlingen dat uitvalt?

Ook in de toegang tot werk liggen onze kansen om niet uit te sluiten maar in te sluiten, om de schoorsteen van de opwerkfabriek te laten roken. Werk is in onze samenleving hét middel tot integratie, tot het erbij horen en meedoen. En die kansen worden nog lang niet genoeg benut. Discriminatie op de arbeidsmarkt speelt een rol. Ik hoor te veel signalen dat je met een Turkse of Marokkaanse achternaam moeilijker aan een baan komt, ongeacht opleiding, taalvaardigheid of bereidheid hard te werken. Dat moet niet. Koudwatervrees, bedrijfscultuur of huiverige klanten: ze zijn er allemaal, en soms is dat nog begrijpelijk ook. Er zíjn cultuurverschillen, en er wordt in de ene cultuur anders gereageerd dan in de andere. En ja, dat kan lastig zijn bij samenwerking in bedrijf of organisatie. Voor werkgever en voor werknemer. Dat is allemaal waar, maar het helpt niet om daaraan toe te geven. Het is geven en nemen, voor iedereen. Iedereen die hier woont en leeft, behoort tot onze samenleving, en we hebben het met elkaar te doen.

Dit is een ingekorte versie van de nieuwjaarstoespraak die burgemeester Job Cohen van Amsterdam gisteren uitsprak.

www.amsterdam.nl Volledige tekst rede Cohen

    • Job Cohen