Dit schilderij is van jullie

Geef me een groep allochtonen en ik leg ze uit waarom Rembrandts Joodse bruidje een meesterwerk is, zei Rudi Fuchs. Hier gaat hij de uitdaging aan.

`Hallo`, zegt de man met het witte haar en de lange, zwarte loden jas. Hij staat voor de ingang van het Rijksmuseum in Amsterdam. Voor hem springt een veertienjarige jongen van Turkse afkomst met een blozend gezicht op en neer. Daniz heeft zijn baseball cap diep over zijn voorhoofd getrokken. Uit zijn mobiele telefoon klinkt rap. De man steekt zijn hand uit.

“Ik ben Rudi Fuchs.“

Daniz springt door. “O, bent u de eigenaar van dit museum?“

Wat doen de oud-directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam en de leerling van het Nova-college, een vmbo-school in Amsterdam-West, samen op de stoep van het Rijksmuseum, op een koude dinsdagochtend? Dat zit zo.

Op 6 december schreef Rudi Fuchs een stuk voor de opiniepagina van de Volkskrant. Hij deed dat naar aanleiding van een interview met staatssecretaris Medy van der Laan (Cultuur) dat een week eerder in NRC Handelsblad had gestaan.

Van der Laan kondigde aan dat ze rijksgesubsidieerde musea een strafkorting wilde geven als ze hun collecties niet `laagdrempeliger` zouden maken voor urban jongeren en allochtonen. De staatssecretaris had daarbij onder meer audiovisuele gadgets op het oog. Musea moeten minder stoffig en saai worden, zei ze. “Schilderijen aan de muur verrassen niet.“

Fuchs was het niet met haar eens. Ze begrijpt niet dat schilderijen juist gemaakt zijn om roerloos aan de muur te hangen, ook door Rembrandt en Van Gogh, schreef hij. Al kijkend kun je je verbeelding de vrije loop laten. Als musea één ding moeten doen is het hun bezoekers - jong en oud, autochtoon en allochtoon - leren kijken, aldus Fuchs. En hij besloot zijn stuk zo: “Geef mij een groep van twintig allochtonen en ik kan ze vertellen en overtuigen van de bijzondere schoonheid van Het joodse bruidje.“

Dat maakte ons nieuwsgierig. Dus Fuchs gebeld. “Wie A zegt moet ook B zeggen“, zei hij. En daarna belden we het Nova-college, waar het merendeel van de leerlingen van allochtone afkomst is. De school stuurde een tweede klas - vijftien leerlingen van veertien en vijftien jaar.

Verf

Tussen een handjevol Japanse toeristen drommen de eerste leerlingen naar binnen. Daar worden ze staande gehouden door een oudere suppoost. “Petten achterstevoren“, commandeert hij. Ze kijken hem aan of hij gek is. Pet achterstevoren? Dat is voor kleuters!

“Als je je voorover buigt kan de klep de verf raken“, zegt de onvermurwbare suppoost. “En het alarm gaat af.“

De kleppen worden naar achteren gedraaid. En de klas dendert de wenteltrap op, naar Het joodse bruidje van Rembrandt. In hun kielzog nóg twee zenuwachtige suppoosten. “Kunt u er niet voor zorgen dat ze rustig doen“, sist een van hen tegen Rita Hendriks, coördinator culturele en kunstzinnige vormgeving (CKV) aan het Nova-college. “Ik zou niet weten hoe“, zegt ze. “Dat bedoel ik nou. Als ik met een groep kinderen naar het museum ga, moeten ze altijd hun mond houden. Maar hoe kan je dat nu van een groep kinderen verwachten?“

Voor Het joodse bruidje zijn klapstoeltjes neergezet voor de tieners, als milde vorm van crowd control. Fuchs (1942) gaat naast het schilderij staan. “Mijn moeder nam me mee naar dit schilderij toen ik elf jaar oud was“, zegt hij. “Omdat ze vond dat iedereen dit moest zien. Dit schilderij is van alle Nederlanders, ook van jullie. Sommigen denken dat jonge mensen en allochtonen niet begrijpen wat schilderijen zijn. Daar geloof ik niets van.“

Kojo, zwart en lang voor zijn leeftijd, steekt zijn hand op. “Meester, hoeveel kost dat schilderij?“

“Wat denk je?“

Boven Kojo`s neus verschijnt een diepe denkrimpel. “Dertigduizend euro“, zegt hij.

“Het is niet te koop, want het hangt in een museum“, zegt Fuchs. “Maar als het wel zo was, zou het wel honderd miljoen euro waard zijn.“

Ineens is het doodstil. “Waaattt?!“ roept Nassira. En Daniz kijkt vanaf dat moment toch anders naar Fuchs. Want als hij de eigenaar van het museum is, is hij het ook van dat onvoorstelbaar dure schilderij.

Fantasie

“De maatschappelijke betekenis van kunst is dat ze ons laat zien dat niets vast staat, en dat alles ook anders kan dan we dachten of ons konden voorstellen“, schreef Fuchs. “Kunst bevordert de lenigheid van geest. Dat besef beschouw ik als één van onze belangrijkste normen en waarden.“ Tegen klas 2 van het Nova-college zegt hij het zo: “Kunst is fantasie. Je kunt in een schilderij iets zien dat alleen jij er in ziet. Wat zien jullie?“

Een man en een vrouw, zegt de een. Een getrouwd stel, zegt de ander. Een broer en een zus, denkt een derde. Een vrouw die huilt en een man die haar troost, zegt een vierde. En Daniz, ja, die ziet in de mannenhand op de vrouwenborst “ongewenste intimiteiten“, zegt hij glunderend.

“Wie het zijn, weten we niet meer“, vervolgt Fuchs. “Op een gegeven moment was het schilderij weg, en later dook het op een veiling in Engeland op. Toen dachten de mensen: misschien is het wel een joodse bruiloft. Maar eigenlijk zegt die titel niets. Wie naar zo`n schilderij kijkt, moet fantaseren.“

Aan fantasie geen gebrek bij Kojo. “De man en de vrouw op het schilderij zijn bedroefd. Dat zie ik aan haar ogen. Ze hebben net hun baby verloren, die is dood gegaan.“ Hij wacht even en roept: “Ik weet het, ze komen net terug van de begrafenis van de baby!“

Maar waarom, vraagt Fuchs, hebben ze dan van die feestkleren aan? Ja, dat weet hij ook niet. “Ach, dat was vroeger nu eenmaal zo. Toen ging iedereen in zijn mooiste kleren naar een begrafenis.“

In de groep zit ook Hagar. Ze valt niet alleen op door haar lengte, haar smetteloos witte hoofddoek en dito joggingbroek; ze is ook een van de weinigen die in haar vrije tijd wel eens naar een museum gaat. Met haar moeder is ze naar het Cobra-museum en het Scheepvaartmuseum geweest. En naar Madame Tussaud - of is dat geen museum?

“Ik ga altijd shoppen met mijn moeder“, roept Nassira.

Ook Fuchs heeft Hagar gezien en haalt haar naar voren als ze zegt dat de gouden sieraden haar opvallen. “Je ziet geen goud“, zegt hij en drukt haar bijna met haar neus op het doek van honderd miljoen. “Je ziet verf. Alleen verf. Het lijkt of het glinstert. Als je naar wolken kijkt, of de zee, zie je ook steeds andere dingen. Zo is het ook met schilderijen.“

Langzaam kijken, moeten ze van hem. “Jullie kijken nu heel snel, want jullie zijn gewend aan televisie. Toen ik voor het eerst televisie zag, was ik zo oud als jullie. Op tv is het beeld weg voor je het weet. Hier beweegt niks.“

Kojo heeft het allemaal al eens gezien - en beter ook: op de Amsterdamse tv-zender AT5. Daar schept de in 1995 overleden Amerikaanse tv-schilder Bob Ross nog steeds elke vrijdagavond zijn wildromantische taferelen; in een half uur zet hij een landschap op het doek. Bob Ross is een hype, wereldwijd zijn er drieduizend `Bob Ross-instructeurs`. Hun boodschap? Je hoeft geen speciaal talent te hebben om te kunnen schilderen.

“Die schilder op AT5, meester? Die schildert mooier dan Rembrandt“, zegt Kojo. De rest van de klas valt hem bij. “Zoals hij een waterval had geschilderd, dat was ongelooflijk, het water leek van het schilderij af te spatten.“

Fuchs staat dan ruim een half uur bij Het joodse bruidje en de aandacht verslapt merkbaar. “Meester, hoe lang gaan we nog naar één schilderij kijken?“ Fuchs geeft ze vrij. De klas stormt naar de uitgang, langs De Nachtwacht. “Wow, die is groot!“

Na afloop praten we in het nabijgelegen café Cobra na met Abdel, Elias, Hagar, Laila en Nassira. Hun ouders komen uit het buitenland; zelf zijn ze opgegroeid in Nederland. Fuchs` missie lijkt geen doorslaand succes. Het was te lang en te saai, zeggen ze. En die man - zijn naam zijn ze vergeten - vertelde steeds hetzelfde. “Begon-ie weer over de handen van die vrouw“, zegt Abdel. Maar Hagar vond het een mooi schilderij. “Omdat het over de liefde gaat.“ En de kleine Elias had nog veel vragen willen stellen.

Over de vraag hoe ze zelf een museum zouden inrichten, hoeven ze niet lang na te denken. Elias zou er hiphop draaien. Abdel zou een film over het schilderij laten zien. Hagar zou een computer neerzetten, zodat je zelf informatie kunt zoeken. En Laila? “Ik ging helemaal geen museum inrichten, ik ging naar de bioscoop.“

Het lijkt precies het Grote Afstoffen, dat de staatssecretaris wenst. “Schilderijen aan de muur, spullen in de vitrine, bordje erbij. Musea verrassen niet“ - het is vooral deze opmerking die in de kunstwereld kwaad bloed zette. Maar ze meent het. Bezoekersaantallen bleven de afgelopen tijd misschien stabiel, maar in de toekomst dreigt een daling. Want vooral allochtonen, gezinnen en jongeren blijven weg. Waarom, vraagt Van der Laan zich af, haken musea niet in bij de bestaande beeldcultuur? “Scholen gebruiken toch ook andere onderwijsmethoden dan dertig jaar geleden? Maar als je het van een museum vraagt, heet het ineens een pretpark.“

Ligt de redding dan in touch screens en multimedia? Maar het kan ook subtieler liggen. Want het is niet zo dat Abdel, Elias, Hagar, Laila en Nassira nog nooit in een museum zijn geweest. Sterker, ze hebben waarschijnlijk meer musea van binnen gezien dan de doorsnee Amsterdammer. Dat geldt voor veel scholieren. Op de basisschool worden ze onderworpen aan een uitgebreid educatieprogramma, inclusief museumbezoek. In het voortgezet onderwijs is CKV verplicht; voor dat vak bezoeken ze ook musea en theaters.

Dus, als proef op de som, een vraag aan deze vijf doorgewinterde museumbezoekers: wat is het mooiste museum dat ze kennen? Niet Nemo, hands-on wetenschapsmuseum boven de IJ-tunnel. Het mooiste museum vonden ze het Anne Frank Huis.

Zelfs Nassira was er diep onder de indruk. En Abdel werd er naar voren gehaald om iets te zeggen over racisme. Hij heeft verteld over het babyfeest van zijn tante in Venray, waar buurtbewoners op de stoep `Marokkanen` hadden geschreven met een kruis erdoor heen, in letters van benzine, en er een brandende sigaret op hadden gegooid.

Parmantig

Even later strijkt Fuchs neer in café Cobra. Hij is moe. Hij erkent zijn beweringen in de Volkskrant `met een zekere parmantigheid` te hebben gedaan. “Zo`n klas nieuwe Nederlanders is moeilijker dan ik dacht.“ Hij zegt er niet bij of een klas witte scholieren in dezelfde leeftijd zich anders had gedragen.

Maar hij zag ook interesse bij zijn gehoor en zou graag met een aantal leerlingen nog eens door het museum lopen. Want hij gelooft heilig in “het verhaal, verteld door iemand die in het museum staat“, niet in technische foefjes.

“Je moet in De Nachtwacht jóuw Nachtwacht kunnen zien.“ Al dat interactieve werkt niet. Ze moeten het zelf doen. Dat de scholieren voor Anne Frank kozen bewijst zijn gelijk, zegt hij. “Dat is het verhaal van een leeftijdgenoot, die eigenlijk ook allochtoon was. Enorm indrukwekkend, bijna onverslaanbaar.“

Veel museumdirecteuren vonden het goed dat hij Van der Laan van repliek had gediend. Maar dat betekent niet dat hij de musea blind steunt. Want het schort volgens Fuchs wel degelijk aan de manier waarop musea hun collecties presenteren. “Alleen, daar gaat de staatssecretaris niet over.“

Musea spannen zich in om mensen binnen te halen, maar denken volgens Fuchs te weinig na over wat ze moeten doen als het publiek eenmaal binnen is. “Mensen zijn bang dat het moeilijk is. Dat hebben ze op school geleerd. Maar je moet ze loskoppelen van hun vooroordelen en hun schroom. Met een verhaal kun je ze leren kijken. Ze laten zien dat het onvoorstelbare bestaat. Want dat is kunst. Mooi of lelijk - dat komt later wel.“

De scholieren zijn dan al weg. Hagar met een glimlach, Elias met een hoofd vol vragen. Zelfs de ogenschijnlijk ongeïnteresseerde Nassira heeft, vlak voor vertrek, nog een brandende vraag. Want Rembrandt, was dat nou die man die zijn oor afsneed?

Van Rudi Fuchs verschijnt volgend jaar `Rembrandt spreekt` (De Bezige Bij)