De schrijver als handlezer

In een serie over nieuwe vertalingen vanklassieke boeken deze week “De verwarring van de jonge Törless' van Robert Musil (vertaald door Frank Diamand, Meulenhoff, 160 blz. 15 euro)

Robert Musil. Foto archief NRC Handelsblad
Robert Musil. Foto archief NRC Handelsblad NRC Handelsblad

“Robert Musil is in Oostenrijk geboren, vijfentwintig jaar oud, en heeft een boek geschreven dat zal blijven.' Met deze bondige profetie opende in 1906 de vermaarde Duitse literatuurcriticus Alfred Kerr zijn bespreking van Musils eerste roman Die Verwirrungen des Zöglings Törless, uit 1906. Musil had de criticus het manuscript toegestuurd, nadat het door verschillende uitgeverijen was geweigerd. Kerrs enthousiaste woorden voorkwamen dat de Törless een curiosum over homo-erotisch sadisme bleef en lanceerden één van de belangrijkste chroniqueurs van de 20ste eeuw.

Hoewel de schrijver tijdens zijn leven veel lof voor zijn debuut had gekregen, heeft hij zijn onsterfelijkheid vooral aan de monumentale roman De man zonder eigenschappen te danken. Met deze ironische titel beschreef Musil de vervreemding van de moderne tijd. De onvolgroeide Törless zou je kunnen zien als een voorbode van Musils decennialange worsteling met dit alsmaar uitdijende en nooit voltooide werk. Maar ook als een zoeken in aanzienlijk korter bestek (160 bladzijden).

Kenmerkend voor de zoekende geest van het fin-de-siècle toont Musils roman de geestelijke ontwikkeling van de puber Törless. Het internaat voor welgestelde jongeheren, waar Törless zijn zoektocht verricht, fungeert als een stolp, waaronder het menselijk gedrag, geïsoleerd van de rest van de samenleving, kan worden bestudeerd. Musil beweerde tijdens zijn werk aan deze roman nog verstoken te zijn geweest van literaire invloeden. Op vergelijkbare wijze is het internaat een primitieve “staat', onontvankelijk voor de esthetische illusie. De verteller van de roman merkt op dat Törless in deze cultuurloze omgeving nog helemaal geen karakter lijkt te hebben.

De identiteitscrisis van de jonge Törless spitst zich toe op het probleem van de uitdrukking. De gevoelige jongeling raakt in opperste verwarring als hij bij het zien van een landschap spontaan uitroept “O, wat mooi' en zich dan realiseert dat hij evengoed “Wat vreselijk triest' had kunnen zeggen.

Törless merkt dat de taal geen volkomen vangnet voor het leven is, maar dat er altijd iets is door zijn mazen heen zal slippen. Deze ervaring van de dubbelzinnigheid van de werkelijkheid vormt het centrale thema van de roman dat ook door het bijgevoegde motto van Maurice Maeterlinck wordt verwoord: “Wij denken dat wij tot de diepste diepten van de afgrond zijn gedoken, maar wanneer wij weer bovenkomen lijkt de druppel aan onze bleke vingertoppen niet meer op de zee die hem voortbracht.'

Törless' ontwikkeling komt in een stroomversnelling wanneer de gutbürgerliche werkelijkheid van zijn ouders in duistere diepten rolt. Zijn klasgenoot Basini blijkt een dief te zijn. Alleen Törless en zijn twee vrienden, Beineberg en Reiting, weten dit en Basini raakt in de macht van het drietal. Zij tiranniseren en misbruiken de “misdadiger' seksueel, al gaat de seksuele toenadering in Törless' geval van Basini uit. Terwijl hun wreedheden onbestraft blijven, sluit het boek af met Törless' geëxalteerde verslag van zijn psychologische ontwikkeling aan de schoolleiding. Basini's misdaad heeft hem doen inzien dat de “dode' gedachten van de taal alleen in een ongrijpbaar, irrationeel gebied “levend' kunnen worden.

Törless' pogingen het irrationele een vorm te geven, bepalen de onconventionele structuur. Musil heeft zijn werk opgebouwd uit veelal korte passages die efficiënt op hun punt afstevenen. Deze hapjes tekst zijn door hun duidelijk thematische functie wel met elkaar verbonden. De ambivalente werkelijkheid impliceert immers een voortdurende perspectiefverandering; iets moois kan tegelijkertijd immens triest zijn. Törless omschrijft deze onverklaarbare omslag als volgt: “een soort klik, die je in het fysieke zou kunnen vergelijken met de nauwelijks merkbare spiercontracties die bij het accommoderen van het oog horen.' De pauzes tussen de verschillende passages in de roman suggereren dergelijke “klikken', die de lezer de meerduidigheid ervan laten ervaren.

Het is voor de hedendaagse lezer niet eenvoudig om Musils experiment met de moraal los te zien van de ervaring van de Tweede Wereldoorlog. De schrijver zelf onderstreepte later de “voorspellende' kracht van zijn roman door een parallel tussen Beineberg en Reiting en de SS te trekken. In deze vergelijking wordt Törless echter te snel weggezet als de passieve buitenstaander die niets heeft gedaan om de wreedheden van zijn vrienden te voorkomen.

De roman is geen onderzoek naar de dynamiek van groepsprocessen. De veronderstelling dat Törless' zoektocht zijn eindbestemming heeft gevonden in de lessen van de gewelddadige twintigste eeuw, voorziet de roman onterecht van een veilige, morele context. Tijdens het schrijven van zijn roman had Musil verklaard niet geïnteresseerd te zijn in het werkelijkheidsgehalte van zijn protagonist, maar in zijn “Konsequenz'; de uitwerking van een intellectueel idee. De verwarring van de jonge Törless brengt in herinnering dat elk tijdperk een inspanning moet leveren zelf vorm te geven aan de moraal. `Ik weet: de dingen zijn de dingen, en zij zullen het wel altijd blijven.', besluit de jongeling zíjn zoektocht. Robert Musils eersteling is inderdaad gebleven.