Boze dromen de baas

Vervelende, terugkerende nachtmerries kunnen worden aangepakt. Bijvoorbeeld door overdag kleine veranderingen aan te brengen in de verhaallijn van de droom.

ER BESTAAT NOG ALTIJD veel bijgeloof over nachtmerries, vertelt Victor Spoormaker, psycholoog en droomonderzoeker aan de universiteit van Utrecht. Zo is er het idee dat dromen en nachtmerries `boodschappen uit het onderbewustzijn' zijn - volgens Spoormaker een moderne variatie op het veel oudere geloof dat dromen en nachtmerries `boodschappen uit een andere wereld' zouden zijn. ``Nachtmerries gaan vaak over achtervolgingen. De gangbare interpretatie is dan dat je een gedeelte van je persoonlijkheid niet wilt erkennen. Die achtervolgt je, maar je loopt ervoor weg.''

Ook andere veel voorkomende nachtmerriethema's, zoals in een afgrond vallen, verdrinken en verlamd raken, zouden volgens de traditionele uitleg allemaal verwijzen naar zaken in het onderbewustzijn die worden verdrongen.

``Als wetenschapper heb je niets aan dat soort theorieën,'' zegt Spoormaker, ``want je kunt ze niet onderzoeken. En het is maar de vraag of mensen die last hebben van terugkerende nachtmerries gebaat zijn bij dergelijke interpretaties. Het helpt niet en het zadelt hen ook nog eens op met een schuldgevoel.''

Herhalende nachtmerries komen bijvoorbeeld veel voor bij slachtoffers van oorlogs- of seksueel geweld, die lijden aan posttraumatische stress. Spoormaker: ``Nachtmerries zijn vaak een hoofdklacht. Het merendeel van de patiënten heeft nachtmerries waarin ze het trauma opnieuw beleven, meestal vrij letterlijk. Ze ervaren opnieuw die intense angst en meestal schrikken ze wakker. Het duurt vervolgens heel lang voor ze weer durven te gaan slapen.''

Nachtmerries komen ook veel voor bij mensen met angststoornissen, daarnaast kunnen ze een ernstige klacht zijn van mensen met wie op het eerste gezicht verder niet veel aan de hand is. Angstaanjagende dromen zijn volgens Spoormaker niet altijd een symptoom van iets diepers, ze kunnen ook een op zichzelf staande klacht zijn. Na een enquête die hij deed onder 400 willekeurige volwassen Nederlanders, komt hij tot de volgende schatting: 13 procent van de volwassenen heeft `wel eens' last van nachtmerries, terwijl 2 procent er `veel last' van heeft: één keer in de week of meer.

Als mensen vaak slecht slapen als gevolg van nachtmerries, kan het een `slaapstoornis' worden en rijst de vraag: kun je er iets aan doen? Aan een psychoanalytische benadering heeft de dromer dan bar weinig. Wel zijn er de afgelopen tien jaar interessante en bemoedigende experimenten geweest met cognitieve technieken waarin geprobeerd wordt de (vaste) verhaallijn van terugkerende nachtmerries te doorbreken.

``Nachtmerries voltrekken zich vaak volgens een vast patroon'', zegt Spoormaker. ``Een vaste verhaallijn, waarin het ene beeld het andere oproept. Als je tegen mensen zegt `je bent hier in je nachtmerrie, weet je wat het volgende beeld wordt?' dan zegt het overgrote deel: `ja'. Ze kunnen heel duidelijk aangeven wat er vervolgens in de droom gaat gebeuren. Er is dus een verwachtingspatroon.''

scripts

Dergelijke verwachtingspatronen worden in de cognitieve psychologie `scripts' genoemd: vaste reeksen van verwachtingen en handelingen die op de een of andere manier in ons bewustzijn zijn opgeslagen. ``Het dagelijks leven bestaat voor een groot deel uit scripts'', legt Spoormaker uit. ``We hebben bijvoorbeeld een script voor wat we moeten doen in een café. Je gaat ergens zitten, je wacht tot de ober komt, je bestelt wat, je drinkt het op, je rekent af en je vertrekt. Het klopt niet als de ober meteen na je binnenkomst op je afkomt en zegt: `Kunt u even afrekenen?' Dan wordt het script verstoord.'' Zo hebben we ook scripts voor boodschappen doen, koken, eten, vrijen en noem maar op.

Spoormaker: ``In de REM-slaap, het deel van de slaap waarin je droomt, zie je allerlei beelden. Dat kunnen restjes zijn van wat er die dag gebeurd is, maar ook vrij willekeurige fantasiebeelden. Die beelden roepen gedachten op en zo'n gedachte kan er dan voor zorgen dat het nachtmerriescript wordt opgestart. Je droomt bijvoorbeeld van iets dat beweegt, dat kan iets willekeurigs zijn, maar zodra je dat interpreteert als een achtervolger, wordt die achtervolgingsfilm automatisch in werking gezet.''

Er is een techniek waarmee dergelijke vervelende, terugkerende nachtmerries kunnen worden aangepakt: de Imagery Rehearsal Therapy, die eind jaren zeventig werd ontwikkeld door de Brit Isaac Marks. Het uitgangspunt is dat de verhaallijn van het nachtmerriescript kan worden veranderd.

Spoormaker: ``Je vraagt mensen om een terugkerende nachtmerrie op te schrijven. Dan vraag je hen om daarin iets te wijzigen. Dat mag de hele verhaallijn zijn, maar het mag ook iets kleins zijn, bijvoorbeeld de kleur van een achtergrondobject. Het gewijzigde verhaal moeten ze ook opschrijven. Vervolgens gaan ze zich dat nieuwe verhaal acht keer per dag inbeelden, iedere keer een paar minuten. Als ze dat iedere dag doen, is er een goede kans dat de nachtmerrie ook volgens dat nieuwe patroon verloopt.''

Spoormaker geeft een voorbeeld uit de praktijk: ``Een vrouw droomde steeds dat ze opgesloten zat in een huis. Alle muren en ramen waren dichtgetimmerd. Stel er hangt in dat huis een schilderij en die vrouw besluit om dat schilderij te veranderen, meer niet. In plaats van een fruitschaal maakt ze er een landschap van. Dat schrijft ze op en beeldt ze zich twintig minuten per dag in.''

controle

Ook als alleen het schilderij in de droom verandert en verder niets, kan dat volgens hem al een gunstig effect hebben. ``Mensen beseffen opeens dat ze invloed kunnen uitoefenen op hun nachtmerries. Dat geeft ze al een zeker gevoel van controle. De klachten nemen dan af. Wat je overigens ziet, is dat de meeste mensen niet voor een detail gaan, maar meteen een oplossing creëren. In dit geval was dat: ik zie een bijl in de hoek staan, ik pak die bijl, ik hak de deur open en ren naar buiten. Maar soms is het goed om voor een detail te kiezen. Dat is bijvoorbeeld handiger voor oorlogsveteranen die nachtmerries hebben over maten die zijn omgekomen. Die willen dat verhaal niet zomaar veranderen. Ze vinden dat ze de overledenen daarmee tekort zouden doen, dus veranderen ze dan een kleurtje of een ander detail.''

Een heel andere methode, die ook op niet-terugkerende nachtmerries kan worden toegepast, is die van het `lucide' dromen. Al langer is bekend dat mensen zich er tijdens een droom van bewust kunnen zijn dát ze dromen, zonder dat ze daarmee ophouden te dromen. Wie dat lucide bewustzijn eenmaal heeft, kan die droom vervolgens ook sturen, is het idee.

Het empirische bewijs dat lucide dromen geen fabeltje zijn, werd in 1981 geleverd door de Amerikaanse dromenonderzoeker Stephen LaBerge: hij trainde mensen om in hun dromen lucide te worden en van tevoren afgesproken opdrachten uit te voeren (bepaalde oogbewegingen). Ondertussen lagen ze in een `slaaplaboratorium' met allerlei electroden aan hun hoofd, die eenduidig aantoonden dat deze mensen in de REM-slaap verkeerden.

Veel mensen hebben de lucide ervaring wel eens gehad, maar het leuke is dat je het ook kunt trainen, zegt Spoormaker. Hij deed twee onderzoeken naar het effect van lucide-droom-training op nachtmerries. In het ene onderzoek ging het om acht studenten, die veel last hadden van nachtmerries. In het andere om 23 volwassenen die zich na een oproep in de krant hadden gemeld.

De proefpersonen kregen een training van twee uur, in een groep of individueel. Ze kregen uitgelegd wat lucide dromen behelst, moesten zich concentreren op een terugkerend thema in hun nachtmerries, leerden een techniek waarmee ze de droom tijdens het dromen aan een `werkelijkheidstest' konden onderwerpen en dachten na over de vraag: als ik mijn droom kan sturen, in welke richting zou ik hem dan sturen?

Spoormaker: ``Ze kregen een training van twee uur, in een groep of individueel. Bij driekwart had het effect. De helft van hen kon daarna lucide worden in een nachtmerrie en die nachtmerrie veranderen. Bij de andere helft veranderde de nachtmerrie vanzelf, zonder dat ze lucide werden. Dat laatste had ik niet verwacht. Verder bleek dat het effect groter was bij de mensen die een individuele training hadden gekregen. Dat is waarschijnlijk de persoonlijke aandacht - altijd een belangrijke factor in therapieën.''

Spoormaker heeft het afgelopen jaar nogal aan de weg getimmerd met zijn lucide-droom-therapie. Hij is in talloze praatprogramma's op radio en tv komen uitleggen wat het is en heeft er net een populair-wetenschappelijk doe-het-zelf-boek over geschreven: Droomsucces (uitgegeven door Kosmos Z&K). ``Ik vind die lucide-droom-therapie het leukste'', zegt hij, ``maar de Imagery Rehearsal Therapy werkt waarschijnlijk beter bij posttraumatische nachtmerries. We hebben nu protocollen ontwikkeld voor beide vormen, zodat er op grotere schaal mee kan worden geëxperimenteerd.''

``Daarnaast is een een aangepast protocol opgesteld voor asielzoekers met een posttraumatische stress-stoornis. Veel van die mensen hebben het idee dat dromen iets hogers zijn, iets wat betekenis heeft. En dat nachtmerries boodschappen zijn, die je niet aan mag raken. Dat geloof moet je dus ook aanpakken. Je kunt uitleggen dat andere dromen misschien wèl een betekenis kunnen hebben, maar dat een posttraumatische nachtmerrie simpelweg een herhaling is van een traumatische belevenis en dat je dat niet iedere nacht hoeft mee te maken. Bij Nederlanders speelt dat niet. Die zijn heel ontvankelijk voor het idee dat een nachtmerrie een film is.''

Dat roept de vraag op of dromen altijd verhaaltjes zijn. Het kunnen toch ook losse beelden zijn, zonder veel verhaal? ``Een van de kenmerken van die beelden is dat ze op een vloeiende manier aan elkaar geregen zijn: je loopt in een droom over straat en je ziet de beelden overeenkomstig veranderen. Een soort virtual reality. Waar je het mee kunt contrasteren, zijn hypnagoge hallucinaties, die mensen soms hebben als ze in slaap vallen. Ze zien opeens iets in de kamer wat er niet is: er kruipt een monster uit de muur.Dat zijn echt beelden, met weinig beweging - heel iets anders dan door een omgeving rennen en achtervolgd worden, of naar beneden vallen terwijl je de omgeving in die val ziet veranderen.''

Het lijkt erop dat kinderen onder de zeven jaar wèl in losse beelden dromen. ``Die film die we 's nachts zien, lijkt een vaardigheid te zijn die we in de loop der jaren hebben ontwikkeld. Een mentale inbeeldingsvaardigheid, waardoor we ons overdag met de ogen dicht kunnen voorstellen dat we ergens lopen. Hoe sneller kinderen die vaardigheid ontwikkelen, hoe eerder een droom bij hen de vorm van een film aanneemt.''

Waarom hebben sommige mensen herhalende nachtmerries en andere niet? Waarom wordt de ene nachtmerrie een script en de andere niet? Spoormaker: ``Bij posttraumatische stress is het duidelijk dat die gebeurtenis zo'n impact heeft dat het verhaal een script wordt. En het verandert overdag niet, juist omdat mensen er niet aan willen denken, ze vermijden dat. Er wordt niks bijgeschreven, er wordt niks aan gedaan, het blijft gewoon zitten. Het wordt 's nachts telkens herbeleefd, waardoor het verwachtingspatroon alleen maar sterker wordt.'' Hoe `gewone' terugkerende nachtmerries, dus nachtmerries die niet een herbeleving zijn van een traumatische gebeurtenis, ontstaan, is lastiger te verklaren. ``Misschien levert de eerste keer dat zo'n nachtmerrie zich voordoet exact dezelfde emoties op als een trauma overdag. Mensen denken dat het echt is, als er in een droom iemand met een mes achter hen aan zit, ze vrezen echt voor hun leven. Die angst is bij sommige mensen misschien net zo intens als het meemaken van een levensbedreigende gebeurtenis overdag.''

verband

Nachtmerries zijn er in soorten. De traditionele definitie, die gebruikt wordt in de diagnose posttraumatische stress-stoornis, luidt: `een uiterst angstaanjagende droom, waar de patiënt uit wakker schiet'. Volgens Spoormaker voldoet die definitie niet, om twee redenen. Uit een onderzoek dat hij deed onder 48 mensen die veel last hadden van nachtmerries, bleek dat er geen duidelijk verband was tussen het al dan niet wakker schrikken en de verstorende werking van de nachtmerries.

De tweede reden waarom de definitie niet voldoet: het gaat niet altijd om angst. ``Het kan ook een intens gevoel van verdriet zijn'', zegt Spoormaker, ``of een intens gevoel van schuld en woede. Bijvoorbeeld bij oorlogsveteranen, die zich schuldig voelen over de dood van een ander. Dat kan terugkomen in dromen: ze dromen dat ze die ander weer dood zien gaan.''

Nachtmerries komen ook veel voor bij mensen die last hebben van een gegeneraliseerde angststoornis: die maken zich overal zorgen over en als dat escaleert, kunnen ze voortdurend in paniek raken. Deze angst kan zich in heel nare dromen vertalen. ``Het bijzondere van die dromen is dat ze niet heel duidelijk herhalend hoeven te zijn'', zegt Spoormaker. ``Ze kunnen over van alles gaan, net zoals de angst overdag. Verder hebben we ontdekt dat mensen met agorafobie, straatvrees, die bang zijn dat ze in de openbare ruimte in paniek raken, ándere nachtmerries hebben: meer, intenser, met hartklopppingen, zweten, op paniek lijkende verschijnselen die ze overdag ook kunnen hebben. Veertig procent van wat je droomt, speelt zich buiten de deur af, dus als je aan agorafobie lijdt, heb je een probleem.''

Spoormaker heeft ook onderzocht wat de meest voorkomende thema's waren. Achtervolging kwam het meest voor, in een kwart van alle nachtmerries. Zo'n twintig procent ging over dierbaren verliezen. De dromer ziet dat iemand van wie hij of zij houdt, doodgaat of droomt over de begrafenis van die persoon. Wat ook dikwijls voorkomt: vallen of verdrinken. Spoormaker: ``Daar zit vaak een controle-aspect bij. Mensen rijden bijvoorbeeld auto, raken de controle over het stuur kwijt en rijden dan de afgrond in. Ze vallen naar beneden en vlak voordat ze te pletter slaan, schrikken ze wakker.''

Dromen met angstaanjagende gebeurtenissen zijn overigens niet altijd nachtmerries. Wat voor de een angstaanjagend is, is voor de ander een spannend verhaal. Spoormaker: ``Ik spreek wel eens mensen die nachtmerries hebben waarin hun leven wordt bedreigd, maar dat als een bizar avontuur ervaren.''

slaaplab

Angst speelt ook in gewone `nare' dromen, die een belangrijk deel van ons `gewone' dromenrepertoire uitmaken. Bekende thema's zijn: alles mislukt, je raakt de weg kwijt, je moet opnieuw examen doen (maar kent de stof niet), je ex ontmoeten in een onaangename context, naakt of maar half gekleed over straat lopen, tanden vallen uit, er is iets mis met je gezicht. Spoormaker: ``Van alle emoties in dromen is 50 tot 80 procent negatief. Dat is vastgesteld aan de hand van droomrapporten; mensen werd gevraagd iedere ochtend op te schrijven wat ze gedroomd hadden. Misschien onthouden mensen hun negatieve dromen beter. Maar onderzoek in het slaaplab, waar mensen als ze gedroomd hadden, werden wakker gemaakt, laat hetzelfde zien: negatieve emoties hebben de overhand.''

Volgens Spoormaker kun je hier twee dingen over zeggen: ``Eén: het gevoel `o, o, dit gaat fout' heeft in een droom veel grotere gevolgen dan overdag; dromen worden immers door dit soort gedachten gestuurd. En twee: misschien zijn mensen sowieso geneigd tot negatief denken. Er zijn wel meer dingen die daarop wijzen. Beledigingen blijven beter hangen dan complimentjes, we hebben meer woorden voor negatieve emoties dan voor positieve emoties, en als we ons niet goed voelen, kunnen we daar veel uitgebreider over praten dan wanneer we ons wel goed voelen. We richten ons misschien meer op het negatieve. Dromen lijken wat dat betreft een afspiegeling te zijn van het waakdenken.''

    • Berthold van Maris