Choreografen van het licht

Het ontwerpen van licht voor theater is tegenwoordig een zelfstandig vak. Vroeger hing een lichttechnicus op aanwijzing van de regisseur wat spots boven het toneel, nu is hij even belangrijk als de regisseur. ,,Spots en schijnwerpers geven diepte en dynamiek aan een voorstelling'', zegt ontwerper Reinier Tweebeeke.

Op de bovenste verdieping van de Amsterdamse Theaterschool is een podium op schaal ingericht om het onderwijs in belichten aanschouwelijk te maken. Het kleine toneel meet drie bij drie meter in plaats van de gangbare twaalf bij twaalf of zelfs nog meer. Hier staan een paar poppen opgesteld die de acteurs verbeelden. Aan een rek erboven hangen toneelspots, eveneens kleinere modellen dan gangbaar. Tosja Zuyderhoff, technicus en docent aan de Amsterdamse Theaterschool, laat tijdens de lessen lichtontwerpen de studenten achter het bedienings- of mengpaneel plaatsnemen. Met dit technische instrument dat eruitziet als een toetsenbord met verschuifbare knoppen, kan de ontwerper het licht dempen of juist versterken. Ook kan hij de verschillende kleuren aanscherpen.

Zuyderhoff geeft de studenten als opdracht: ,,Jij bent schilder en dit paneel is je palet. Ga de toneelruimte kleur geven, zorg ervoor dat het licht het drama versterkt.'' Zuyderhoff laat zien hoe het licht werkt. Hij schuift een knop open en opeens staat het kleine theater in vol rood licht. Dat geeft warmte. Maar blauw daarentegen is een koude kleur. Hij kan de poppetjes een voor een uitlichten of een totaallicht geven. Het licht heeft ook een richting. Het kan van opzij komen, pal van voor of als tegenlicht fungeren. Al verandert er niets aan de opstelling, toch is het alsof ik elke keer iets nieuws zie. Zuyderhoff: ,,Licht heeft meteen effect op de emoties van de toeschouwer. Is de belichting geheel rood, dan ervaart de toeschouwer drama of liefde. Blauw geeft kilte.''

Voor lichtontwerper Uri Rapaport is het belichten van theatervoorstellingen ,,magie, het is toverij''. Hij is de vaste belichter van regisseur Dirk Tanghe van de Paardenkathedraal uit Utrecht. De nieuwe voorstelling over beeldhouwster Camille Claudel speelt zich af in het atelier van kunstenaar Auguste Rodin. Het is Parijs in de jaren twintig, dertig. Rapaport: ,,De herinneringen die we aan die tijd hebben zijn zwart-wit. Dat heb ik in mijn belichting benadrukt. Harde witte belichting waardoor krachtige schaduwen ontstaan.''

Zijn collega Reinier Tweebeeke houdt er een mening op na die beduidend nuchterder is: ,,Het ontwerpen van licht is niets meer dan met technische hulpmiddelen, zoals schijnwerpers, kleur en beweging van het licht, een voorstelling zichtbaar maken.'' Tweebeeke is sinds 1980 werkzaam als zelfstandig lichtontwerper. Zijn laatste voorstelling is het zeventiende-eeuwse klassieke stuk Phèdre van Jean Racine, geregisseerd door Johan Doesburg bij het Nationale Toneel. In die eeuw bestond de belichting in de theaterzalen uit kaarsen en olielampjes. Dat was het allerprilste begin van belichten. Phèdre is ongeveer zijn 250ste ontwerp. ,,Ik ben telkens weer geboeid door wat licht in het theater doet'', zegt Tweebeeke. ,,Spots en schijnwerpers geven diepte en dynamiek aan een voorstelling. Met het licht ondersteun ik de handeling, leg accenten. Veel toeschouwers ervaren belichting niet als een wezenlijk onderdeel van een voorstelling. Maar ga eens letten op lichtstanden en op de kleur van het licht, dan is dat een enorme verrijking.''

Batterij

De laatste decennia is de belichting van theatervoorstellingen in Nederland steeds belangrijker geworden. Belichters zijn net zo belangrijk als de regisseur. In de nok van de schouwburgen en theaterzalen bevindt zich een batterij aan schijnwerpers, spots en lampen, soms wel honderd tot tweehonderd. De sterkte kan oplopen tot duizend watt per lamp. Via trappen en een zogenoemde lichtbrug klimmen technici de hoogte in en hangen de lampen op, stellen de schijnwerpers. Maar de lichtontwerpers zelf komen zelden of nooit zo hoog. Tijdens de repetities zitten zij halverwege in de zaal en proberen lichtstanden uit. Rapaport: ,,Ik ben als een architect die een huis bouwt, het metselwerk laat ik aan anderen over.''

Tweebeeke benadrukt het `samenspel tussen regisseur en lichtontwerper'. De regisseur vertelt wat hij wil zeggen met de voorstelling. Vervolgens worden de schetsen voor decor en kostuums gemaakt. Tweebeeke: ,,Voor mij was meteen duidelijk dat Doesburg geen zeventiende-eeuwse stijl wil, dus uit de tijd van Phèdre. Het zou veel te romantisch zijn om te proberen het kaarslicht uit die tijd na te bootsen. Voor het sobere decor, bestaande uit een amfitheater met ijzeren trappen, heb ik een ontwerp gemaakt dat bestaat uit zeven beweegbare spots, de pendels, de dramatische hoogtepunten van het verhaal te versterken. Deze pendels volgen de acteurs met krachtige lichtbanen.''

Het is spannend tijdens een repetitie te ontdekken hoe het lichtontwerp tot stand komt. Strijklicht, tegenlicht, zijlicht of frontaal licht hebben elk een ander effect. En dan komt er de kleur nog bij: blauw, rood, oranje, geel. Tweebeeke: ,,Er hangen in de nok van een schouwburg zoveel lampen, dat je je moet kunnen beheersen.''

Voor de studenten aan de Amsterdamse Theaterschool, afdeling techniek en belichting, zijn Reinier Tweebeeke en Uri Rapaport grote voorbeelden. Ze zijn werkzaam als zelfstandige lichtontwerpers, maken licht tot een dramatisch instrument. Of, zoals Rapaport het formuleert: ,,Een lichtontwerper is als een choreograaf. Maar dan van het licht.''

Tweebeeke en Rapaport volgden geen opleiding tot lichtontwerper. Beiden kwamen bij toeval achter het lichtpaneel terecht. Voor Rapaport begon het in de woonkamer van het ouderlijk huis waar zijn moeder, een verwoed amateurspeelster, voorstellingen bracht. Zijn vader was elektrotechnisch ingenieur bij Philips. Als vanzelf bediende de zoon de bandrecorder. Later volgde hij een cursus en meteen na de middelbare school ging hij het theater in. Voor Tweebeeke begon zijn carrière in 1975 bij gezelschappen als Hauser Orkater en Wederzijds. ,,Ik werk uit intuïtie'', zegt hij. ,,Ik begon als technicus en mocht me in die tijd overal mee bemoeien. Het is een kwestie van proberen, opnieuw proberen, kijken of een lichtstand werkt.'' Tijdens langdurige repetities van Phèdre in de Koninklijke Schouwburg in Den Haag zitten de regisseur en lichtontwerper halverwege de zaal. Een rij stoelen is weggehaald en daar zijn tafels voor in de plaats gekomen. Hierop liggen het tekstboek en het lichtplan.

Voor aanvang van de repetitie gaan zaal- en werklicht uit. Even is het donker. Dan gloeit het toneellicht aan. We zijn in het laatste, vijfde bedrijf. De al wat oudere, getrouwde Phèdre, gespeeld door Ariane Schluter, komt op. Zojuist heeft zij gehoord dat haar grote geliefde, de door haar vurig begeerde jongeman Hippolytus, met een even jeugdige minnares is vertrokken. Uit verdriet heeft Phèdre gif ingenomen. Tweebeeke wil dat de pendel helemaal omlaag zakt en Phèdre in een bundel gevangen houdt. Het rode toneelhaar straalt als een halo om haar heen.

Het moet over, en nog eens. Tweebeeke is niet tevreden. Hij besluit dat de pendel niet daalt maar juist vanuit een hoger punt schijnt. De scène wordt er beter door. Minder nadrukkelijk, strakker en rustiger. Een bewegende pendel trekt enorm de aandacht. Naderhand verklaart Tweebeeke: ,,Het werd te heilig. Bovendien eist de soberheid van de regie om te verkleinen in plaats van te vergroten. Nu blijft deze lichtstand neutraal en krijgt de toeschouwer meer vrijheid om tot een eigen interpretatie te komen. Bovendien moet de kracht van de scène nu helemaal uit het spel van Ariane Schluter komen.''

Belichting van theater heeft een lange geschiedenis. De Griekse treurspelen waren destijds in de namiddag te bewonderen, met soms als het begon te schemeren een spaarzaam gebruik van fakkels en toortsen. Voor de gesloten schouwburgen uit de zestiende eeuw werd andersoortig licht dan daglicht belangrijk. Kaarsen als zij- en voetlicht deden lange tijd dienst. Altijd lag het gevaar op de loer dat een schouwburg kon afbranden door een omvallende kaars. In 1817 gingen theaters in Londen over op gaslicht. Het publiek was er dol op. Voor het eerst konden feeërieke effecten worden bereikt zoals een zonsopkomst of -ondergang en maanlicht. Aan de Parijse Opéra komt de eer toe in 1846 een eerste voorstelling in elektrisch licht, de revolutionaire gloeilampen, te programmeren. Aanvankelijk waren de toeschouwers minder enthousiast: het elektrisch licht was te hard en men verlangde terug naar het zachte gaslicht.

Computergestuurd

Nu is de ontwikkeling van licht in het theater niet meer te stuiten en heeft de computergestuurde belichting zijn intrede gedaan. ,,Bovendien is het publiek verwend met film en televisie'', zegt Uri Rapaport. ,,Het theater kan niet achterblijven.''

In de jaren dertig en tot ver in de jaren zeventig kende het Nederlandse theater geen lichtontwerpers. De technicus van het theater deed ook de belichting, vaak op aanraden van de regisseur, die dan zei: `Ik wil hier wat blauw licht of wat rood. Dan schoof de technicus een gekleurd filter voor de standaardlamp.' De eerste Nederlandse belichter die in zijn levensonderhoud kon voorzien was de uit Londen afkomstige Steve Kemp, die betrekkelijk jong overleed. Hij werkte als zelfstandig ontwerper voor verschillende gezelschappen, waaronder het Nationale Toneel en het Ro Theater onder leiding van Franz Marijnen. Kort voor zijn dood in 1990 zei Kemp in een interview met deze krant: `Dankzij het licht behoudt het theater iets van zijn mysterieuze illusie. Licht is, volgens een mooie omschrijving, zichtbare stralende energie. (...) Ik haal inspiratie uit mijn herinnering. Neem nu een ochtend aan de Middellandse Zee. Hoe zou ik die in het theater weergeven? De richting van het licht is belangrijk. In het mediterrane gebied is die laag, het licht valt in een waaier van stralen laag over zee. Het is helder, want het draagt de koelte van de nacht met zich mee. Rood en roze zijn de warme kleuren. Dus die zal ik gebruiken.'

Tweebeeke en Kemp vormen de eerste generatie lichtontwerpers. Tweebeeke is begin vijftig, Kemp was enkele jaren ouder dan hij en Rapaport halverwege de veertig. Uri Rapaport behoort tot de tweede generatie. Hij is als assistent in dienst geweest bij Tweebeeke. Er zijn in Nederland zo'n vijftien lichtontwerpers die zelfstandig werken, dus niet verbonden aan een gezelschap of in dienst van een theaterzaal. Van wezenlijke invloed op een lichtontwerp is het gegeven dat voorstellingen in Nederland moeten reizen. De ontwerper moet rekening houden met de uiteenlopende technische outillage van de zalen. Er zijn oudere en modernere schouwburgen, bovendien grote en kleine zalen. De Koninklijke Schouwburg in Den Haag bezit een traditioneel lijsttoneel, net zoals de schouwburgen van bijvoorbeeld Amsterdam, Groningen en Leiden. Om het licht niet steil uit de kap te laten komen, maar meer vanuit de zaal zijn in deze schouwburgen boven en opzij van het publiek nieuwe lichtbruggen of armaturen aangelegd. In een zaal met een vlakke vloer kijkt men vanaf een tribune omlaag naar het toneel en zit men bovendien dichterbij. Voor de toeschouwer is dat een andere ervaring. Het licht mag de toeschouwer niet verblinden. Als het lichtontwerp eenmaal definitief is, wordt het opgeslagen in de computer. Het bestand gaat mee op reis, evenals de spots en schijnwerpers.

Lichtontwerpers als Tweebeeke en Rapaport kijken regelmatig naar de Hollandse luchten. Tweebeeke: ,,Op herfstige dagen als in deze tijd met storm en jagende wolkenpartijen die voor de zon schuiven, waardoor het licht telkens wisselt in sterkte denk ik: `Die lichtontwerper is vandaag druk in de weer.' Maar een lichtontwerp is een gecreëerde werkelijkheid. Wolkenluchten in werkelijkheid zijn vaak veel dramatischer dan je in het toneel kunt gebruiken. Vertaal ik zo'n herfstlucht naar het podium, dan doet dat al snel overdreven aan.''

Uri Rapaport neemt buitenlandse bezoekers weleens mee naar een dijk in de polder, en dan wijst hij hen op de grauwe luchten en het Hollandse polderlicht: ,,Ontwerpers laten zich inspireren door hun onmiddellijke omgeving. Buitenlanders ondergaan het licht in Nederland, zeker aan de kust, als heel speciaal. Het is het hoge, heldere licht als op Nederlandse schilderijen. Het omringende water weerkaatst het licht, waardoor er een prachtige transparantie ontstaat. Ik heb eens meegemaakt dat ontwerpers uit verschillende werelddelen een stuk als Alles voor de tuin van Edward Albee zouden belichten. Toen viel me op dat ontwerpers uit Afrika op de proppen komen met licht dat recht van boven valt, steil licht dus, omdat de zon bij de evenaar hoog aan de hemel staat. Zij kiezen voor terracotta. De Zuid-Amerikaan koos voor warme tinten met veel rood erin en de Europese ontwerper gaf de voorkeur aan een overwegend groen toneelbeeld met bomen daarin die hij blauw had aangelicht. Voor ons is dat het ideaalbeeld van de tuin en het zijn deze kleuren die ons rustig en gelukkig stemmen. Zo moet een tuin er voor een West-Europeaan uitzien. Er bestaat dus zoiets als een nationale belichtingskunst.''

Dat ontwerpers hun ideeën uit hun onmiddellijke omgeving putten, was ook de ontdekking van Steve Kemp. Hij overleed na een uitputtende repetitie van het beruchte Macbeth toen hij in de auto in slaap viel en in een sloot belandde. Voor deze tragedie van Shakespeare ontwierp hij grijs licht. Destijds zei hij: ,,Ik stel me Amsterdam voor op een namiddag in januari. Gedeprimeerde mensen, grijs, geen scherpe contouren, diffuus licht.'' Het `grijze licht' van Kemp maakte hij `door puur blauwe lichten' te mengen en op het bedieningspaneel het geel weg te nemen.

Drie valkuilen

Tosja Zuyderhoff waarschuwt haar leerlingen voor de drie valkuilen van belichting: ,,Maak er niet een lichtfeest voor jezelf van; het is geen disco.'' De andere fouten waarop hij tijdens de les wijst, zijn: ,,Let op dat je geen blinkende vloer maakt, waardoor het licht tegen de zijkanten en het plafond spettert. En verblind de toeschouwers niet.'' Tweebeeke is echter van mening dat de creativiteit het allerbelangrijkste is, niet de regels: ,,Ik houd er niet van het ontwerpen in hokjes te stoppen.Ik kan heel goed een balletvoorstelling als een toneelstuk belichten. En in de Phèdre spiegelt de vloer wel degelijk, waardoor je een ruimtelijk effect krijgt. Die lichtspiegeling zie je terug op de kostuums van de spelers.'' Rapaport spreekt graag van ,,onmerkbaar licht dat toch de vertelling ondersteunt, zonder alle aandacht naar zich toe te trekken''. In Camille Claudel geeft hij deze overtuiging fraai vorm in het slotbeeld. Beeldhouwster Camille is door waanzin bevangen, ze zit alleen op het voortoneel. Zwarte windsels zijn om haar gezicht gewikkeld. Rapaport belicht haar van opzij met wit licht en gebruikt blauw dat als tegenlicht naar de toeschouwer straalt. Dan valt langzaam het tegenlicht weg en is er alleen het zijlicht, dat hard en wit en fel is. ,,Hierdoor valt de expressie in haar gezicht weg; ze heeft geen uitdrukking in haar ogen meer want die zie je niet. Dit beeld is verstild en tegelijk dramatisch. In haar waanzin is ze helemaal niemand meer.''

Reinier Tweebeeke belichtte eerder dit jaar de bewerking van Phèdre door Hugo Claus tijdens het Zeeland Nazomer Festival. Het was een buitenvoorstelling die zich afspeelde op de brede trap en tegen de achtergrond van zuilen van de Nieuwe Kerk in Zierikzee. De voorstelling begon in het avondlicht en eindigde bijna twee uur later in het donker. Bij deze Phèdre overheerst de kleur rood. De titelheldin (Els Dottermans) droeg een helrode jurk met lange sleep. De witte zuilen van de kerk werden herhaaldelijk felrood uitgelicht. Deze gloeiende, warme kleuren kloppen met de visie van Claus op het stuk: de liefde van Phèdre voor Hippolytus is allesverzengend.

De Franse tragedieschrijver Racine ziet het anders. Zijn Phèdre wordt verraden door haar voedster en vertrouwelinge, Oenone. Er is een verbeten strijd gaande tussen beide vrouwen. Dit dramatische gegeven keert terug in de belichting. Tweebeeke: ,,De voorstelling in Zierikzee begon in het licht van de ondergaande zon. Daar moest ik met mijn licht tegenop. Ik heb heviger en vooral kleurrijker licht gemaakt met veel rood om de passie te benadrukken. In de tragedie van Racine overheerst het idee dat Phèdre verraden is. Zij voelt zich alleen gelaten, verkild tot op het bot. Daarbij past geen rood licht maar wel blauw. Dat staat voor koud en eenzaam.''

In de herinnering van de toeschouwer blijft die sfeer achter. Van gloeiend rood. Of van ijzig koud. Dat is dankzij het licht.

`Camille Claudel' door de Paardenkathedraal en `Phèdre' van het Nationale Toneel reizen door het land. Inl.: Paardenkathedraal: 030-2762559; www.paardenkathedraal.nl. Inl.: Nationale Toneel: 070-3181444; www.nationaletoneel.nl

` Zuid-Amerikaan kiest rood licht, Europeaan groen '

`Met licht ondersteun ik de handeling'

`Lichtontwerper is architect, geen metselaar'