Vertrouwen met een vraagteken

De Nederlandsche Bank registreerde vorige week een onrustbarend verlies aan vertrouwen in Nederland. Schaarste aan vertrouwen is niet nieuw en het is iets van veel westerse landen. In de private sfeer wordt dat geleidelijk aan, helaas maar onvermijdelijk, ondervangen door contracten en gedragscodes, begeleid door een wassend leger van juristen en accountants. In de publieke sfeer ontbreekt zo'n contractuele vluchtroute. Want democratie – dat zijn we zelf.

In de jaren '70 was al een generatie opgevoed met het adagium dat je iedereen met invloed of macht per definitie moest wantrouwen. Controle was goed, wantrouwen beter. Het huidige tijdsgewricht van luidruchtigheid en publieke verstrooiing deformeert vertrouwensrelaties verder. Wie in het publieke domein wil komen bovendrijven, neemt veelal – en met succes – zijn toevlucht tot het theater van de gedrevenheid en de emotie en tot een grote mond.

Het narcistische moment weegt zwaar en alleen wie over voldoende beschikt, brengt het op om de lange weg naar boven af te leggen. En blijft onderhoudend.

Vertrouwen daarentegen vraagt om andere eigenschappen. Natuurlijk moet het worden verdiend, maar zij die het verdienen, voldoen ook aan een paar kenmerken: enige behoedzaamheid, matiging, geduld en vastberadenheid, gebaseerd op een paar – niet te veel – rotsvaste overtuigingen.

In de klassieke representatieve democratie wordt een kiezer geacht vertrouwen voor een afgebakende periode te delegeren aan iemand die vervolgens ingewikkelde keuzevraagstukken moet oplossen en compromissen moet sluiten tussen botsende belangen. Mensen met de genoemde karaktertrekken zijn in dat handwerk waarschijnlijk beter dan behaagzieke opportunisten.

Maar aan wie delegeer je vertrouwen, wanneer narcisme zo'n belangrijk ingrediënt moet zijn van de volhouders in de politieke arena?

Een, toegegeven, extreem voorbeeld, Rob Oudkerk, illustreert gewijzigde mores. Na alles wat hij heeft aangericht en hem is overkomen, zou je nog niet zo lang geleden van zo iemand een verfrissende, levenslange duik in de anonimiteit hebben verwacht, goed voor vrouw en kind, patiënten en het vrijwilligerswerk in de straat. Dat is voor een toegewijde huisvader trouwens al een prachtige levensvervulling.

Nu is bijna even vanzelfsprekend het tegendeel het geval: via de ondergrond van de gniffelende babbelshows en het amusement van de gêne komt zo iemand weer bovengronds in de (gevestigde) politieke circuits, want hij zou – je hoort het een regisseur al zeggen – weleens ,,een factor kunnen worden in het politieke debat''. En het heerschap legt zich overal bloot, met alle pijnen en tekorten – leuke vent, toch, altijd goed voor een praatje op de Albert Cuyp. En gedreven.

Deze gemoderniseerde vorm van zelfontplooiing is in diverse landen te bezichtigen. De talenten in deze strijd om de aandacht worden niet zozeer gedreven door macht om iets voor elkaar te boksen, ergens een stempel op te drukken, maar door een dreinend narcisme. Het is, zoals Duitsers zo mooi zeggen, niet zozeer Gestaltungswillen maar Selbstenszenierung.

Bij de Franse presidentskandidaat Nicolas Sarkozy mogen we voortdurend volgen hoe de stand van zijn huwelijkstherapie is, bij Joschka Fischer werden we nauwgezet op de hoogte gehouden van de ups en downs van zijn lichaamsgewicht en de laatste echtgenote – de vijfde – aan zijn zijde. Clinton meldde ons wat voor ondergoed hij droeg en vertelde ons vervolgens van alles niet, wat ook weer voor veel verstrooiing en gêne heeft gezorgd. Berlusconi – enfin, het is allemaal geen toeval.

Maar narcisme is niet zo onschuldig als ijdelheid. Het is als een drug – bij gewenning zijn allengs grotere hoeveelheden nodig. De Britse ex-ambassadeur in Washington, Christopher Meyer, geeft in zijn recente memoires DC Confidential een veelzeggend inkijkje in het gedrag van premier Blair in Washington. Een raadsel was tot voor kort waarom Blair zijn invloed in Washington niet heeft gebruikt om de Verenigde Staten wat dichter naar een VN-aanpak inzake Irak te duwen. Invloed had Blair wel degelijk kunnen uitoefenen, want zijn opstelling was voor de Amerikanen van groot belang. Maar Blair volgde, zo schrijft Meyer uit eigen waarneming van nabij, in Washington telkens opnieuw de ,,allerhoogste morele route'' en waarom was dat? Blair werd verleid en betoverd door de glamour en het applaus die hem daar overal ten deel vielen, door de ambiance van heroïek en hij kon er geen weerstand meer aan bieden. Het kan natuurlijk ook gewoon een kwestie zijn geweest van iemand ordinair `inpakken', maar de scènes die Meyer beschrijft ademen daarvoor net iets te veel de sfeer van een roes.

In Duitsland is enige opluchting te bespeuren dat na de jongste regeringswisseling de '68-generatie van het toneel is verdwenen. Deze zou zich meer dan gemiddeld in de leegte van de egomanie hebben genesteld. ,,Het schort hun aan discipline en een serieuze houding, ze produceren te veel aandacht, te weinig resultaat'', aldus Die Zeit fijntjes. Maar is dat wel zo? Is het verschijnsel niet eerder verbonden met de collectieve behoefte om te worden vermaakt en de onvermijdelijkheid dat types die de mensen vermaken komen bovendrijven? Het zou de sombere conclusie wettigen dat de moderne politicus het niet doet voor de samenleving maar voor de kick. Veel programmamakers spelen dit spel mee, ze zijn idolaat van politici of – met excuses – ze zeiken hen af. Gewoon controleren wat politici doen, daar is geen markt voor, het is een hoop werk en wat al te dienstbaar aan de burger, te weinig aan de consument. Dus hoezo vertrouwen schenken?

Toch is dit een veel te sombere conclusie. Natuurlijk is het hierboven geregistreerde verschijnsel frequent te bezichtigen. Zo in de donkere dagen voor kerst mag er best eens een uitroepteken bij worden gezet. Waarvan acte. Maar kiezers zijn niet gek. Daarvoor zijn er te veel politici komen bovendrijven die zich helemaal niet schikken naar de entertainment-eisen van de consument en die toch hun werk kunnen doen. Er is uiteindelijk ook altijd nog zoiets als wat James Surowiecki, columnist van de New Yorker, in zijn boek met de gelijknamige titel noemt: The Wisdom of Crowds: mits op een behoorlijke wijze wakker gehouden en geprikkeld, weet de massa redelijk hoe laat het is. Kijkers zijn vaak lui, maar als puntje bij paaltje komt niet gek. Maar ze moeten wel blijven opletten.