Schönberg speelt weergaloos somber

Dood en duisternis beheersen het programma waarmee het Schönberg Ensemble en sopraan Barbara Hannigan momenteel door het land reizen.

Of het nu is in de Weltschmerz-volle teksten van Reinacher die Hindemith toonzette, de van zwaarmoedigheid doordrenkte poëzie van Trakl die Oliver Knussen gebruikte voor zijn schitterende Rosary Songs (1972) of de `volksteksten' van Rosegger die bij Webern klinken: opbeurend zijn ze niet.

Wat wél vrolijk stemt, is de weergaloze kwaliteit waarmee alle composities worden uitgevoerd, met voorop Barbara Hannigan die zichzelf overtreft in wendbaarheid, inleving en intensiteit.

Het programma opent met de twee twintigste-eeuwse meesters van het muzikale aforisme: Anton Webern (1883-1945) en György Kurtág (1926). Bij Webern is elk fragment, met een duur eerder van seconden dan minuten, een gecondenseerd precisiebombardement; zó snel voorbij dat het jammer is dat het ensemble de geplande herhaling van zijn Fünf Canons op. 16 laat vervallen. Hannigan heeft zich de stukken volledig eigen gemaakt – weinigen kunnen dit hondsmoeilijke repertoire met zo'n natuurlijke air zingen.

Kurtág is meer de ootmoedige aforist, die met een paar muzikale pennenstreken gewoon gezegd heeft wat nodig is en er verder dus het zwijgen toe doet. Met minimale middelen zet hij in het instrumentale Ligatura (1989) een droevige dialoog neer tussen een wrang celloduo en een broos en glazig antwoordend stel violen, hoog achterin de zaal. De Hommage à R. Sch. (1990) klinkt grillig, rijk aan wisselende emoties – net als bij de opgedragene, Schumann, zelf.

Er klinkt een nieuw werk van Hans Koolmees, Papillon. Het begint sfeervol, met een dalende secunde, getokkeld op de pianosnaren, waaruit zich een quasi-volks melodietje ontspint. Dit gegeven botst met een driftig jazzloopje dat zichzelf in kortgevoerde echo's in zijn eigen staart bijt, een minimalmusic-achtig effect.

Met aanstekelijk genoegen zet Koolmees zo wat elementen in werking, en luistert hij mee naar wat er in de confrontatie daarvan zoal kan gebeuren. Niet veel verrassends, maar het is wel aangenaam onstuimig.

Een grote stap is het vervolgens naar Hindemiths Des Todes Tod, op. 23a (1923). De met royaal vibrato aangezette dramatiek en de loodzware stiltes verplaatsen de luisteraar abrupt naar een andere wereld. Hannigan zingt het middendeel met operateske expressie, waarna de muziek in een doorleefd, hartverscheurend duet tussen altviool en sopraan wegsterft.

Concert: Schönberg Ensemble met Barbara Hannigan, Sopraan. Werken van Webern, Kurtág, Knussen, Koolmees en Hindemith. Gehoord: 28/11 Concertgebouw, Amsterdam. Herh.: 1/12 Enschede; 6/12 Tilburg; 7/12 Arnhem. Inl: www.schonbergensemble.nl. Opname VPRO voor latere uitzending.