`Levensloop' scoort onder de maat

Het kabinet heeft met de levensloopvoorziening een administratief belastende regeling in het leven geroepen die niet effectief is en waarvan de politieke duurzaamheid onzeker is, vindt Leo Stevens.

Het kabinet heeft heel Nederland aan het rekenen gezet. De nieuwe zorgverzekering en toeslagen hebben al voor de nodige rekenstress gezorgd. Iedereen moet zorgen de beste keuze te maken. De zorgaanbieders trachten met aanlokkelijke aanbiedingen hun marktpositie te behouden of te vergroten. Het is maar zeer de vraag of de belangen van de doorsnee burger daarmee zijn gediend. Zeker op de langere termijn.

Ook voor de levensloopfaciliteit moet gerekend worden. Alle werknemers moeten bekijken of deze aantrekkelijker is dan hun spaarloonregeling. Voor werkgevers, zeker voor de kleinere, betekent het grote aantal stelselwijzigingen een ontmoedigende regellast. Dat wordt nog erger als de werknemer niet goed weet wat hij moet doen en keuzes maakt die achteraf weer worden gewijzigd.

Het kabinet heeft structureel te weinig oog voor invoeringsproblemen. Onder druk van de Tweede Kamer is onlangs het uiterste beslismoment uitgesteld tot 1 juli 2006. We hebben dus iets meer bedenktijd, maar voor de uitvoerders die alles op haren en snaren hebben gezet om op 1 januari 2006 te beginnen en daarvoor veel (reclame)kosten hebben gemaakt, zal dat een afknapper zijn.

De levensloop is een van de stokpaardjes van dit kabinet. Een gegeven paard behoor je niet in bek te kijken, maar op de levensloopregeling valt veel af te dingen. Het kabinet wil de combinatie van zorg- en werktaken voor gezinnen met zorgafhankelijke kinderen fiscaal stimuleren. De regeling biedt de mogelijkheid loon te sparen voor betaald verlof. De belastingheffing wordt uitgesteld tot het moment van opname.

Via de levensloopregeling mogen werknemers per jaar maximaal 12 procent van het brutoloon sparen. Zij krijgen bovendien een levensloopverlofkorting van 183 euro per jaar waarin daadwerkelijk in de levensloopregeling is gespaard. De korting kan worden gebruikt zodra het levensloopsaldo wordt aangewend als vervangend loon bij het opnemen van onbetaald verlof, dan wel belast wordt uitgekeerd op de dag voorafgaande aan het bereiken van de 65-jarige leeftijd.

De levensloopkorting is overdraagbaar aan de (werkende) partner die eveneens spaart in een levensloopregeling en het saldo opneemt voor verlof. Het maximale saldo bedraagt – exclusief beleggingsresultaten – 210 procent van het laatstgenoten jaarloon. Latere demotie of verlaging van het deeltijdpercentage maakt een hoger opgebouwd percentage niet bovenmatig. Het saldo is hervulbaar.

Belastingsubsidies zijn verleidelijk en daarom populair. Het is leuk ze te ontvangen en nog leuker ze te geven. Maar intussen verstoren ze de normale belastingstructuur.

Elke belastingregeling behoort te voldoen aan drie criteria: de belasting moet rechtvaardig, effectief en eenvoudig zijn. Daaraan getoetst scoort de levensloopregeling onder de maat.

Wat de rechtvaardigheid betreft is onvoldoende rekening gehouden met het feit dat gezinnen met een relatief laag inkomen onvoldoende bestedingsruimte hebben om van de regeling te kunnen profiteren.

Bij de effectiviteitstoets valt op dat de reclamecampagnes vooral de nadruk leggen op de mogelijkheid een prepensioen op te bouwen of een bijzondere vakantie(reis) mogelijk te maken. Met name voor de oudere werknemers met een hoog inkomen zijn dit aantrekkelijke perspectieven. Maar daarvoor was de levensloopfaciliteit niet bedoeld. De oorspronkelijke doelstelling om zorgverlof mogelijk te maken, is naar de achtergrond verdrongen. Het probleem dat er voor mensen met een relatief laag loon geen betaalbare kinderopvang beschikbaar is, wordt door de levensloopregeling niet opgelost. Fiscale stimulering van buitenschoolse opvang zou effectiever zijn geweest.

Aanvankelijk was het kabinet er mordicus op tegen dat de levensloopregeling kon worden benut voor vervroegd pensioen. Maar gaandeweg moest de maatschappelijke en politieke levensvatbaarheid van de levensloop worden gered door dwarsverbanden te leggen met de pensioenregelingen. Prepensioenen worden fiscaal ontmoedigd, maar via de levensloopregeling gestimuleerd. Werknemers van 50 tot en met 55 jaar mogen onbeperkt storten in de levensloopregeling en zodoende in een kortere periode een levenslooptegoed opbouwen van maximaal 210 procent, bijvoorbeeld om vervroegd uit te treden.

Indien pensioenfondsen de mogelijkheid bieden tot afkoop van de opgebouwde prepensioenrechten, is het mogelijk het afkoopbedrag tot het 210-procentplafond onbelast te storten in de levensloopregeling. Maar het resultaat is bizar. Je moet iets afkopen om te kunnen storten op een levenslooprekening om te kopen wat je al had, namelijk prepensioen. Over overbodige transactiekosten gesproken! Behoud van flexibiliteit in de pensioenregeling was een betere optie geweest.

Een complicatie is dat werknemers wel recht hebben deel te nemen aan de levensloopregeling, maar geen recht hebben op verlof. Daarvoor moet de werkgever toestemming geven. Ook al stelt de werkgever zich coöperatief op, dan nog is het in de praktijk bij kleine ondernemingen lang niet altijd gemakkelijk om wegens het doorlopende dienstverband een goede oplossing te vinden. Bij een sollicitatiegesprek werkt een opgebouwd zorgverlof niet in je voordeel.

De levensloopregeling is verre van eenvoudig. Voor de verlofkorting moet een langjarige administratie worden gevoerd. Iedere werknemer kan zijn eigen uitvoerder kiezen. Nieuwe werknemers kunnen hun oude regeling meenemen. Bij twee deeltijdbanen kan bij beide werkgevers worden deelgenomen. Er moet rekening worden gehouden met bijzondere complicaties bij overlijden, bij ziekte en arbeidsongeschiktheid tijdens het verlof, met de samenloop met pensioenregelingen en andere arbeidsvoorwaarden, met grensoverschrijdende werkverhoudingen en emigratie, met echtscheiding en verdeling van de boedel. Tijdens het verlof mag niet elders worden gewerkt. Wie controleert dat? Welke werkgever is happig op dit type regelingen? Maar ook de werknemer heeft geen spontane behoefte aan de levensloopregeling. Hij zal meedoen wegens het belastingvoordeel.

Onaanvaardbaar is trouwens dat ondernemers van de faciliteit worden uitgesloten. Dit staat in schril contrast met de riante mogelijkheden die de directeur/grootaandeelhouders hebben. Het ligt evenwel in de lijn der verwachtingen dat, gelet op de ruime gebruiksmogelijkheden die de directeur/grootaandeelhouder van de levensloopregeling kan maken, deze naar verloop van tijd als `onbedoeld' worden gekwalificeerd en dat ook hij zal worden uitgesloten.

Per saldo is een administratief belastende regeling in het leven geroepen die niet effectief is en waarvan de politieke duurzaamheid onzeker is.

Dr. Leo Stevens is hoogleraar fiscale economie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.