`Instellingen moeten kind centraal stellen, niet zichzelf'

Almere wil de hulp aan kinderen en ouders beter organiseren met een ouder-kindcentrum in elke wijk, waar problemen in gezinnen worden gemeld of gesignaleerd. De ,,heilige huisjes van de instellingen'' moeten worden afgebroken.

Klaas Jongejan, gemeenteraadslid voor de VVD in Almere, kreeg drie jaar geleden de portefeuille jeugdzorg. Na twee weken dacht hij: ,,Waar ben ik in vredesnaam aan begonnen?'' Hij zag een woud aan projecten en projectjes, zonder samenhang, zonder duidelijk geformuleerd doel. Diverse gemeentelijke afdelingen jeugdgezondheidszorg, sociale zaken, jeugd en veiligheid, onderwijs, welzijn en maatschappelijke opvang hielden zich met de jeugd in Almere bezig. ,,Geef een overzicht'', zei Jongejan, ,,zodat ik kan zien wie wát doet. En hoeveel het kost.''

Het duurde maanden, maar toen kwam er uiteindelijk een lijstje. Het bleek dat de afdelingen van elkaar niet wisten welke projecten ze financierden. Jongejan: ,,Ik zat met die mensen aan tafel en ze zeiden tegen elkaar: hé, doe jij dát?'' Voor Jongejan, tot voor kort militair, was het helder: ,,Saneren en coördineren.''

Na verschillende incidenten, zoals het driejarig meisje Savanna dat dood in de kofferbak van de auto van haar moeder werd gevonden, blijkt steeds opnieuw de zwakke plek in de jeugdzorg: het gebrek aan samenwerking van verschillende hulpverleners en instanties.

Neem Almere. Daar zijn de jeugdzorginstellingen een ,,versnipperd en verkokerd geheel'', staat in een studie naar de aanpak van kindermishandeling, huiselijk geweld en jeugdcriminaliteit door de vier inspecties (gezondheidszorg, jeugdzorg, openbare orde en veiligheid en onderwijs). In het rapport, dat dit jaar verscheen, staat ook dat dit het beeld is voor alle grotere gemeenten in Nederland. ,,De knelpunten liggen vooral op het terrein van de informatie-uitwisseling voor en tijdens de hulpverlening, regie gedurende het hulpverleningsproces en goed zicht op het bereik van de hulpverlening'', schrijven de inspecties.

De gemeente Almere stemde vrijwillig in met het onderzoek. ,,We wilden graag horen wat er mis is, dan konden we er wat aan doen'', zegt Johanna Haanstra, PvdA-wethouder onderwijs en jeugdzorg in Almere in haar strak ingerichte kamer in het stadhuis. Met het rapport van de inspecties in de hand, vroeg zij Jo Hermanns, hoogleraar opvoedingsondersteuning aan de Universiteit van Amsterdam, om advies. Hij werd voorzitter van de gemeentelijke regiegroep integraal jeugdbeleid. Haanstra: ,,Het was duidelijk dat het anders moest. Maar hoe?''

Jo Hermanns had een snel advies: het kind moet centraal staan. Dat lijkt logisch, maar in de praktijk denken instellingen vaker vanuit zichzelf dan vanuit het kind en het gezin, zegt Hermanns in zijn werkkamer in Woerden. Hij heeft een adviesbureau dat onder meer gemeenten, provincies en ministeries adviseert op het gebied van jeugd, jeugdzorg en onderwijs. ,,Doordat er jarenlang te weinig geld gaat naar jeugdinstellingen, is iedereen gewend geraakt vooral zijn eigen belang te verdedigen. Als je gaat samenwerken ben je al gauw een deel van je schaarse geld kwijt. Deze gewoonte moet worden opengebroken, hoe pijnlijk ook voor individuele instellingen.''

Raadslid Klaas Jongejan snuift: ,,Allemaal heilige huisjes. De directeuren van de instellingen práten, práten en práten. En dan zetten ze van alles op papier. Prachtige plannen. Stapels dik. Maar er verandert niets.''

Er zijn een paar voorwaarden waaraan efficiënte jeugdzorg moet voldoen, zegt Jo Hermanns. De hulp moet rond het gezin worden georganiseerd. Hulpverleners moeten een gezin helpen de problemen op te lossen en weer greep te krijgen op hun eigen leven. Ze moeten níét de problemen overnemen. Daarnaast moet de hulp zowel bij zware als bij lichte problemen snel ingezet worden. En iedereen moet als het nodig is direct toegang krijgen tot gespecialiseerde diagnostiek en zorg, bijvoorbeeld bij een zorgwekkende gezinssituatie of een kind met ADHD. Wachtlijsten van maanden zijn onaanvaardbaar.

Hoe organiseer je dat? Dicht bij de mensen die je wilt bereiken, in de wijk, zegt Hermanns. ,,Maak een `loket' voor opvoedhulp en ondersteuning. Je mag het ook anders noemen, ouder-kindcentrum bijvoorbeeld. Als het er maar is en iedereen in de wijk dat weet.'' Bij dat loket kunnen ouders voorlichting krijgen, problemen worden daar vroeg gesignaleerd. Voor lichtere problemen kunnen gezinnen er terecht op een pedagogisch spreekuur, een opvoedcursus of maatschappelijk werk. Bij hetzelfde loket moeten ouders en kinderen ook toegang krijgen tot meer gespecialiseerde hulp die via bureau jeugdzorg loopt. Hermanns: ,,Maar ook zwaardere hulp is effectiever als hij rondom gezinnen wordt georganiseerd.''

Almere gaat dat doen. In elke wijk komt een ouder-kindcentrum, het eerste centrum gaat 1 januari open in de wijk Stad West. Almere heeft al twintig gezondheidscentra, in elke wijk één. ,,Het is logisch om de loketten daar onder te brengen'', zegt Marian van Leeuwen, projectleider bij de GGD in Flevoland. Van Leeuwen werkt aan een effectievere aanpak van kindermishandeling. Ze is groot voorstander van de wijkgerichte aanpak. In de gezondheidscentra zitten ook het consultatiebureau, de schoolarts, de huisartsen, de wijkverpleegkundige, de verloskundige en de thuiszorg. Van Leeuwen: ,,Iedereen stapt er makkelijk binnen.''

Wethouder Haanstra: ,,Het ouder-kindcentrum moet signalen opvangen en eventueel actie ondernemen. Eventueel, want bij baldadig gedrag of liefdesverdriet hoef je niet meteen professionele hulp in te schakelen.'' Haanstra hanteert de 15-15-norm: vijftien procent van de gezinnen heeft problemen, vijftien procent dáárvan is een multi-probleemgezin en heeft intensieve hulp nodig op verschillende terreinen.''

Het is zo logisch, zegt Marian van Leeuwen, je hebt één punt waar zicht is op het kind, de eventuele problemen en waar vanuit de hulp wordt gecoördineerd. De centra houden van elk kind in Almere een dossier bij van de geboorte tot het negentiende jaar. Daar staat alles in.''

Almere is niet de eerste gemeente die het loket-idee in praktijk brengt. In Amsterdam-Noord bestaan er inmiddels vier, Rotterdam is begonnen met Bureaus Jong en in Apeldoorn zijn er JOED's (Jeugdgezondheidszorg Onder Eén Dak). Jo Hermanns: ,,Gemeenten zijn vaak huiverig voor hoge kosten, maar het gaat om een andere manier van organiseren. Dat hoeft helemaal niet duurder te zijn. Bovendien, als je problemen weet te voorkomen, spaar je in de jaren daarna veel geld uit.''

Grote gevolgen zullen de wijkcentra hebben voor het werk van de `professionals' (zoals Jo Hermanns ze noemt) die dagelijks met ouders en kinderen omgaan. Hij heeft het dan over leraren op scholen, leidsters in crèches en in peuterspeelzalen, trainers op sportclubs. Of over mensen die met ouders werken in bijvoorbeeld de geestelijke gezondheidszorg, de verslavingszorg, de reclassering. Zij moeten problemen in een zo vroeg mogelijk stadium zien en ouders en kinderen helpen.

Deze mensen, net als iedereen die als hulpverlener aan het ouder-kindcentrum is verbonden, moeten veel meer pedagogische en psychologische kennis hebben dan nu het geval is, zegt Hermanns. ,,Die kennis zit nu meestal bij de meer gespecialiseerde instellingen.'' Hulpverleners van die instellingen zouden, als het aan Hermanns ligt, uit de instellingen moeten komen en hun gespecialiseerde hulp aanbieden dicht bij de gezinnen en in samenspraak met de mensen die dagelijks met de gezinnen te maken hebben. Wethouder Haanstra ziet dat ook: ,,We hebben mensen nodig die hun hersens niet aan de kapstok hangen.''

Klaas Jongejan is tevreden met de ouder-kindcentra. ,,Voor mij is het klaar en simpel.'' Maar hij snapt één ding nog steeds niet: waarom het zo lang heeft moeten duren.