Crisis pensioenen nog niet voorbij

De rendementen zijn prima, de premie gaat omlaag, maar de prijscompensatie voor werknemers en gepensioneerden blijft laag. Bij pensioengigant ABP geldt: wie betaalt, bepaalt.

De hemel sloot zich. Het werd eerst grijs, toen zwart. Het begon te regenen. Stevig te regenen. Maar tegen de tijd dat financieel directeur D. Sluimers van pensioengigant ABP in een hoekzaaltje van het ABP-kantoor op Schiphol aan zijn blijde boodschap van een lagere pensioenpremie toekwam, brak de zon door.

ABP verlaagt de premie volgend jaar met 1,6 procentpunt naar 19,4 procent. Dat werkt wat anders door in het salaris van een doorsnee werknemer, doordat over een deel van het loon geen premie wordt betaald. Als percentage van het salaris is de verlaging 2,2 procentpunt naar 15,6 procent.

Is de premieverlaging bij het grootste Nederlandse pensioenfonds (183 miljard euro beleggingen) een signaal dat de pensioencrisis die in 2002 begon nu eindelijk is overwonnen? Een kwart van de Nederlandse huishoudens is afhankelijk van het financiële wel en wee van ABP. Financieel directeur Sluimers is zoals elke financiële autoriteit wars van woorden als `crisis', dat schept maar onrust en onzekerheid.

Maar zijn twee kanttekeningen zeggen genoeg. De kostprijs van het ABP-pensioen verandert de komende jaren niet veel. Beduidende premieverlagingen liggen niet in het verschiet. Bovendien schieten de reserves tegen onverwachte koersdalingen nog tekort (bijna 11 miljard euro). Dat moet eerst worden weggewerkt, daarna moet een overschot worden verdiend en dan moet de achterstallige prijscompensatie (indexatie) voor werknemers en gepensioneerden worden ingehaald. ,,Dan is de crisis voorbij.''

En de premieverlaging dan? Het is de tegenhanger van de onverwachte premieverhoging vorig jaar, toen ABP gemangeld werd tussen zijn eigen beleid en overgangsregels van de toezichthoudende Nederlandsche Bank. De regels zijn opnieuw veranderd, maar nu definitief. Verder pakt het verdwijnen van de VUT en de daaraan gekoppelde uitbreiding van het reguliere pensioen gunstig uit voor het premiepercentage. Leraren en ambtenaren sparen volgend jaar over een groter deel van hun salaris voor hun pensioen. Daardoor kan het premiepercentage lager zijn om het benodigde totaalbedrag binnen te krijgen.

Verder is sprake van decollectivisering: de VUT en de verplichte bijdrage aan het afschaffen daarvan zijn collectieve regelingen, maar de nieuwe individuele levensloop voor kort of eerder stoppen met werken niet. Die valt buiten de premie.

Maar de hoge rendementen dan? Het ABP-vermogen steeg de eerste tien maanden met 8,8 procent. De beleggingswinsten geven meer vermogen, de lage rente geeft hogere verplichtingen. De verhouding tussen vermogen en pensioenverplichtingen, de zogeheten dekkingsgraad, blijft daardoor min of meer stabiel op 119 procent. Een knappe prestatie. ABP wil naar 140 procent.

Maar de gunstige rendementen zitten niet in de rekensom voor de premie. De beslissende factor daarin is het verwachte langjarige reële rendement van 3 procent.

De premieverlaging scheelt de overheid als werkgever zo'n half miljard euro, schatte Sluimers, die jarenlang als topambtenaar in Den Haag de staatsfinanciën onder zijn hoede had. De overheid betaalt ongeveer 70 procent van de premie, de werknemers de rest.

De uitkomst illustreert de gegroeide invloed van de werkgever tegenover de vakbonden. Wie betaalt, bepaalt. De werkgever krijgt premieverlaging. De werknemer krijgt wat meer koopkracht, en net als de gepensioneerden 0,17 procent prijscompensatie. Het is het derde jaar waarin de groei van de pensioenrechten achterblijft bij de lonen. Als pensioenbelegger en kleine kapitalist verdient de werknemer wel dik op de beurs, maar als arbeider moet hij loon matigen. Zijn indexatie is geld op lange termijn. De achterstalligheid kost de werknemers inmiddels zo'n 600 miljoen euro. Daar kan de premieverlaging niet tegenop.