Cinematografisch en audiovisueel erfgoed

Als het rijk zijn huidige beleid voortzet, zullen er nooit meer historische films op het 35 mm bioscoopformaat te zien zijn. Het heeft er domweg het geld niet voor over, terwijl de films in kwestie en masse naar de haaien gaan.

Het is zinnig om dat te memoreren na de vertoning van drie gerestaureerde films van Joris Ivens op het IDFA. In NRC Handelsblad van 22 november gaf Hans Schoots het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid een veeg uit de pan, omdat dat de Ivens-films ook digitaal laat vertonen.

De conservering van die drie 35 mm-films en het maken van vertoningskopieën slokt minstens de helft op van het budget dat Beeld en Geluid in een jaar mag spenderen aan filmconservering. De 35 mm-kopieën kosten tienduizenden euro's, de video's (de krant repte van digitale projectie, maar het gaat om digitale video) een paar honderd.

Nog duizenden films wachten op conservering, maar het rijk heeft voor filmconservering nauwelijks geld over, reden waarom Beeld en Geluid en het Filmmuseum al jaren de noodklok luiden. Op de dag voor de Ivens-première boden beide instituten een petitie aan, waarin wordt aangedrongen op het honoreren van het advies van de Raad voor Cultuur om 99 miljoen euro opzij te zetten voor het redden van het cinematografische en audiovisuele erfgoed. Een besluit dat al meer dan 25 jaar wordt uitgesteld en dat ook nu weer, ondanks de dringende oproep van de Raad, uitblijft. Door dat uitstel staat de historische film op de rand van de totale teloorgang: het enige dat Beeld en Geluid kan doen, is redden wat er te redden valt.

Jammer dat NRC Handelsblad die petitie en de voorafgaande discussie heeft genegeerd. Jammer dat de krant geen begrip toont voor het feit dat videokopieën het bereik van de cinematografische werken enorm vergroten, dat ze de uiterst kostbare vertoningkopieën op 35 mm sparen en dat zodoende Beeld en Geluid tracht om het beste van twee werelden te verenigen waar de rijksbegroting in feite slechts ruimte laat om jaarlijks toe te kijken, terwijl al het bewegende beeld sinds 1896 desintegreert.

Daar gaat het om, niet om een incidentele videopresentatie naast het glorieuze bioscoop-origineel, zoals gelukkig te zien op het IDFA.