Therapie stopt jonge groepsverkrachters

Jeugdige groepsverkrachters plegen na poliklinische behandeling niet opnieuw een zedendelict. Zonder behandeling recidiveert 12 procent. Van de soloverkrachters pleegt 5 procent na behandeling opnieuw een zedendelict, zonder behandeling is dat 10 procent.

Dit blijkt uit een studie van Jan Hendriks, ontwikkelingspsycholoog en hoofd afdeling jeugd van de forensische polikliniek De Waag in Den Haag. Hij bestudeerde met hoogleraar Catrien Bijleveld, hoogleraar methoden en technieken van criminologisch onderzoek aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, de recidive van 325 mannelijke jeugdige zedendelinquenten. 106 van die jongens kregen één tot twee jaar lang één therapiesessie per week. Gemiddeld werden de jongens ruim zes jaar gevolgd. Deze week wordt het onderzoek gepubliceerd in het Tijdschrift voor Seksuologie.

Groepsverkrachtingen door jongeren lijken de laatste jaren vaker voor te komen. Justitie onderzoekt daarom de achtergronden van een reeks groepsverkrachtingen in Rotterdam. Van alle onderzochte jeugdige zedendelinquenten recidiveert 8 procent naar een nieuw zedendelict. Het risico is het grootst voor jongens die niet zijn behandeld (9 procent) of voor solodaders bij wie de behandeling ,,een negatief verloop'' had (19 procent). Dat betekent dat behandelaars de sessies niet goed vinden verlopen. Van de solodaders bij wie de therapie volgens behandelaars leek te helpen recidiveerde 4 procent. Groepsverkrachtingen vinden meestal plaats door vier jongens van gemiddeld 14 jaar. Tweederde is allochtoon, de slachtoffers zijn vaak autochtoon.

Verkrachter: pagina 2