Schatten der aarde moeten eerlijk verdeeld

Invoering van een CO2-belasting voor rijke landen moet Derde Wereld ten goede komen, menen Judith Grootscholten en Christiaan Hogenhuis.

Milieubeleid en ontwikkelingssamenwerking: inmiddels raakt ook de politiek ervan doordrongen dat zij alles met elkaar te maken hebben. De begroting voor Ontwikkelingssamenwerking voor 2006 bevat een fors bedrag voor internationaal milieubeleid. Dat is een stap in de goede richting. Maar een kabinet dat duurzaamheid werkelijk serieus neemt, zou het anders aanpakken. Dat zou uitgaan van de grote onrechtvaardigheid wat betreft internationale milieuproblemen en vandaaruit het recht van ontwikkelingslanden op financiele compensatie formuleren. Niet mondiale welwillendheid of nationaal eigenbelang, maar recht is dan de basis voor financiering van ontwikkelingssamenwerking.

Uit het door de Verenigde Naties in maart uitgebrachte Millennium Ecosystem Assessment Synthesis Report blijkt dat 60 procent van de ecosysteemfuncties die essentieel zijn voor het leven op aarde, verslechteren of niet duurzaam wordt gebruikt. De verwachting is dat de druk verder zal toenemen. Als daaraan niets wordt gedaan, is ontwikkeling voor veel landen in het zuiden bijna onmogelijk. Terwijl vooral de rijke landen verantwoordelijk zijn voor deze situatie, zijn het vooral ontwikkelingslanden die de gevolgen daarvan ervaren. Dat geldt in het bijzonder bij klimaatverandering, zoals verwoestijning, overstromingen en uitbreiding van ziekten als malaria. Zwakke economieën lijden en het ontbreekt aan capaciteit en middelen om de gevolgen het hoofd te bieden.

Niemand zal tegen een eerlijke verdeling onder alle wereldbewoners zijn van wat de aarde heeft voortgebracht. Echter, gebruik van de zogenoemde Global Commons, natuurlijke hulpbronnen waarop geen eigendomsrechten van toepassing zijn (zoals de atmosfeer, oceanen), is verre van eerlijk verdeeld. Rijke landen leven op veel te grote ecologische voet. Uitgaande van een gelijke verdeling bewijzen ontwikkelingslanden rijke landen zelfs een dienst door het aan hen toegekende aandeel niet volledig te benutten.

(Inter)nationaal milieubeleid staat in veel rijke landen inmiddels hoog op de agenda. Duurzaamheid bereiken vergt echter tijd. In Europees verband is een overgangsfase voorgesteld waarbij reductie van CO2-uitstoot tot een duurzaam niveau in de tweede helft van deze eeuw wordt bereikt. Voor de duur van de overgang kan overschrijding van het toegekende recht op gebruik van de atmosfeer financieel worden gecompenseerd – een vorm van CO2-belasting. Nederland zou dan uitkomen op een jaarlijkse betaling van circa 2,5 miljard euro. Deze middelen moeten ten goede komen aan degenen die onder het duurzame gebruiksrecht blijven. Zij kunnen het geld gebruiken voor aanpassing aan klimaatverandering en investering in duurzame ontwikkeling, waaronder een duurzame energiehuishouding.

In de wetenschap zijn deze ideeën uitgewerkt en in de internationale politiek is hier en daar al draagvlak voor een CO2-belasting. Een dergelijk instrument biedt een krachtige onderbouwing voor financiering van ontwikkelingssamenwerking: ecologische en sociale verhoudingen op basis van rechtvaardigheid en verantwoordelijkheid. Het dient ook het eigenbelang. In een tijd waarin ontwikkelingssamenwerking aan kritiek onderhevig is en het milieu wereldwijd in kritieke toestand verkeert, is deze innovatieve benadering nodig en haalbaar.

Judith Grootscholten en Christiaan Hogenhuis werken bij Stichting Oikos en voeren een programma rond klimaatverandering uit.