Pluimveevaccin stopt griepuitbraak

Vaccins tegen vogelgriep kunnen een uitbraak onder pluimvee voorkomen, zelfs als niet alle kippen zijn gevaccineerd. Maar vaccineren op het moment dat het virus al heerst helpt niet. Het vaccin moet twee weken vantevoren zijn gegeven. Dat blijkt uit onderzoek van het Centraal Instituut voor Dierziekte Controle (CIDC) in Lelystad, online-gepubliceerd in de Proceedings of the National Academy of Sciences.

Het experiment is gedaan met het H7N7-kippengriepvirus dat in 2003 een grote uitbraak in Nederland veroorzaakte. De onderzoekers gebruikten vaccins die afweer opwekken tegen verwante, maar niet gelijke H7N1- en H7N3-virussen.

Ongevaccineerde kippen die met het in 2003 op een Nederlandse boerderij geïsoleerde virus werden door de onderzoekers in neus en keel werden besmet, waren na vijf dagen allemaal dood. Het experiment is uitgevoerd met groepjes van vijf kippen. Van vijf onbesmette `contactdieren', die een dag later bij vijf besmette dieren in het hok werden gezet ontsnapte steeds maar een enkel dier aan de dood door vogelgriep. De meeste dieren waren binnen een week na het contact met hun zieke soortgenoten dood.

Door vaccineren verandert dat beeld dramatisch. Vooral als de kippen niet een week maar twee weken voor de besmetting werden gevaccineerd. Alle proefkippen bleven in leven tot 14 dagen na de besmetting. De gevaccineerde en bewust besmette kippen verspreiden ook geen virus meer, niet in hun poep en niet in hun keelslijm. Bij dieren die 7 dagen na vaccinatie werden besmet vonden de onderzoekers nog wel griepvirus in uitstrijkjes die dagelijks uit keel en cloaca (kippenkont) werden gemaakt.

Ook de kippen die ongevaccineerd bij de besmette, gevaccineerde dieren in het hok kwamen, bleven in leven.

De onderzoekers concluderen dat vaccinatie een aantrekkelijk middel is om de verspreiding van zeer besmettelijke vogelgriepvirussen te onderbreken. En dat daarmee ook een bron voor menselijke besmetting kan worden weggenomen.