Jong talent blijft alleen ...

Het loopbaanbeleid op de universiteiten moet veranderen, willen jonge gepromoveerde wetenschappers behouden blijven voor Nederland, betogen vier leden van De Jonge Akademie.

Nederland moet als kennisland tot de internationale top behoren. Dat is de strekking van de notitie `Onderzoekstalent op waarde geschat' die minister Van der Hoeven in september het licht deed zien. Om die internationale top te bereiken, zijn hoogopgeleide mensen nodig: gepromoveerde wetenschappers.

Hier schuilt volgens de notitie het probleem. Hoewel de kwaliteit van de promotieopleiding aan Nederlandse universiteiten hoog is, behoort het aantal promoties in Nederland tot de laagste van Europa, ver achter de VS en Japan. De minister wil promoveren daarom aantrekkelijker maken.

Echter, de kern van het probleem is niet het lage aantal gepromoveerden, maar vooral het slechte loopbaanperspectief voor gepromoveerden met wetenschappelijke ambities. Derhalve moet een beter loopbaanperspectief voor gepromoveerden met talent en ambitie hoge prioriteit in het wetenschapsbeleid krijgen.

Het Nederlandse universitaire systeem kent, in vergelijking met Angelsaksische landen, relatief weinig postdoc-posities. Hierdoor vertrekken pas gepromoveerden vaak naar een universiteit buiten Nederland, en zwaait Nederland zijn investering uit zonder talentvolle gepromoveerde onderzoekers uit het buitenland te kunnen verwelkomen. Deze braindrain is funest voor de concurrentiepositie van Nederlandse universiteiten en de ambities om van Nederland een hoogwaardige kenniseconomie te maken.

Daarnaast komen er weinig vaste banen op de universiteit beschikbaar. Het personeelsbeleid op Nederlandse universiteiten is gebaseerd op het formatiebeginsel, waardoor gepromoveerden doorgaans pas in aanmerking komen voor een vaste aanstelling zodra formatie vrijkomt. Wegens de piramidevormige opbouw van formatie binnen een onderzoeksgroep en bezuinigingen komt formatie slechts sporadisch vrij. Invoering van het loopbaanbeginsel, waarbij wetenschappers carrière maken op basis van gebleken kwaliteiten en prestaties, zal hierin verandering brengen. Invoerig ervan wordt weliswaar door Van der Hoeven alsmede door steeds meer universitaire onderzoekers en bestuurders bepleit, maar vindt nauwelijks plaats. Vernieuwing in het personeelsbeleid is ook hier noodzakelijk om de competitie op de mondiale universitaire arbeidsmarkt niet te verliezen. Daarnaast zal invoering van het loopbaanbeginsel de toetreding en doorstroming van relatieve nieuwkomers binnen de universitaire wereld, vrouwen en onderzoekers van allochtone afkomst, verbeteren.

Het moge duidelijk zijn: talent moet de ruimte krijgen. Het aantal postdoc-posities en persoonsgerichte subsidiemogelijkheden voor getalenteerde onderzoekers na de promotie moet worden vergroot. Voorts moet het formatiebeginsel binnen universiteiten worden vervangen door het loopbaanbeginsel met duidelijke taakafspraken en beoordelingscriteria. En last but not least: universiteiten die promovendi afleveren met een sterke arbeidsmarktpositie en die gepromoveerden goede loopbaanperspectieven bieden, moeten een puike financiële beloning krijgen.

Janet van Hell (Radboud Universiteit Nijmegen), Yigal Pinto (Universiteit Maastricht), Bas ter Haar Romeny (Universiteit Leiden), Simon Verhulst (Rijksuniversiteit Groningen) zijn lid van De Jonge Akademie.