Inburgeren op zijn Zwitsers met wijn en kaasfondue

De dame van de dorpsbibliotheek gaat rond met een mandje chips. Een man uit het gemeentebestuur die infrastructuur doet, schenkt wijn die op het oude château om de hoek wordt gemaakt. Het dorpshuis ruikt al naar knoflook en kaas. Welkom op de jaarlijkse fondueavond voor nieuwe inwoners van de gemeente Crans-près-Céligny. Dit is inburgeren op zijn Zwitsers.

Ongeveer 35 man stampen vanavond de sneeuw van de schoenen op het stoepje van het met hout betimmerde dorpshuis, dat er zelfs een beetje uitziet als een chalet. We zijn allemaal de laatste anderhalf jaar hier komen wonen, vlakbij Genève. De Zwitsers zetten hun moonboots in de hal en doen sloffen aan. Die paar auto's die buiten staan dubbelgeparkeerd, zijn zeker niet van hen. Die zijn van de Fransen, die er niet aan kunnen wennen dat kleine verkeersovertredingen in Zwitserland doodzonden zijn. En van mij. Zwitsers komen namelijk graag te vroeg. Stipt om zeven uur is het parkeerterreintje al vol.

De avond begint hoopvol. In een zaaltje met een podium verwelkomt de burgemeester, tevens de garagehouder tegenover de apotheek, iedereen persoonlijk. Hij hangt zelfs mijn jas aan de kapstok. Als iedereen binnen is (behalve die paar Fransen), stelt hij de rest van het bestuur voor. En de man van de kerk. En die van de zangclub. En de baas van de FC Crans, die dit jaar het grootste deel van het gemeentelijke budget opstrijkt omdat de kleedkamers – naar Zwitserse begrippen – ongeveer instorten. Na wat dorpsgeschiedenis, waarin de eigenaars van het kasteel de hoofdrol spelen, gaat de deur open naar een ander zaaltje. Er zijn lange tafels gedekt. De spiritusbranders zijn aan. Uit het raam zie je glooiende wijngaarden tot aan het meer beneden. Aan de overkant pinkelt licht van Franse dorpjes.

De paar Duitsers en Britten, die vooral bij de Verenigde Naties en banken in Genève werken, gaan in kluiten bij elkaar zitten. De rest pakt op goed geluk een stoel. Rechts van mij zit een Zwitserse met hoog opgeblazen grijs haar en een wijde rok met gouden lovers. Links een dikke, jonge Italiaan in spijkerbroek en T-shirt die in de IT-sector zit. Hij heeft een bedrijf en kwam hier voor de belastingen. Nou ja, bedrijf. De Indiërs doen het werk en de opdrachtgevers zijn Amerikaanse computerfirma's. Hij sluist die opdrachten door. Zijn kantoor bestaat uit een gsm en een laptop.

Tegenover mij schuift een Elzasser in merkkleding aan, een veertiger die al jaren in Zwitserland voor internationale transportbedrijven werkt. Hij vertelt meteen dat hij de laatste paar jaar twee keer is ontslagen. Eén van de redenen dat bedrijven graag naar Zwitserland komen, is dat je mensen met relatief gemak op straat kunt zetten. Zulke flexibele arbeidswetgeving vind je in de rest van Europa niet. Maar de Elzasser is gebleven. De werkloosheid is hier laag. Je vindt zo nieuw werk, zegt hij.

Hij verdeelt zijn brood, net als de Zwitsers, in afwachting van de fondue vast in stukjes. Hij is hier vanavond omdat hij namens de gemeente een skihut in de bergen beheert, die dorpsbewoners kunnen huren. Alle nieuwkomers worden van harte uitgenodigd om er ook gebruik van te maken. Er is ook een foto van: enkel sneeuw, met ergens een deuropening. Er is geen water en geen elektriciteit. Heel authentiek, zegt de Zwitserse naast mij tevreden. Ze schenkt de glazen nog eens bij. Zwitsers houden van de natuur. De druivenoogst wordt gevierd op het kasteel. Scholieren maken uitstapjes naar boerderijen in de buurt. Veel Zwitsers kopen alleen groenten en fruit uit eigen land, al kost dat meer dan import. ,,Heeft u zaterdag 17 december nog niet in uw agenda staan?'' vraagt iemand van het gemeentebestuur verbaasd. ,,Dan gaan alle dorpelingen naar het gemeentebos. Iedereen kan zelf de kerstboom omhakken die hij wil hebben. Er is muziek, en ook soep en drank en lokale worst. Hele middag vrijhouden!''

Als de kaaskorst uit de pannen is geschraapt, krijgen we fruitsla. We worden bediend door mensen uit het dorp. Ik herken iemand die in het haventje werkt. Toch eens vragen of het klopt dat daar zoveel grote boten liggen waar niemand naar omkijkt. Als de fles kirsch langskomt, weet ik intussen alles over de torenhoge ziektekostenpremies hier, de voor- en de nadelen van het schoolsysteem en de constante oorlog om belastinggeld tussen dorp en kanton. Ik ben al uitgenodigd voor een handwerkexpositie in de bibliotheek en een gemeenteraadsvergadering. Ik weet in welke huizen er vorige maand is ingebroken door rondstruinende jeugdbendes uit Frankrijk. Mijn zakken zitten vol visitekaartjes. Het gaat goed. Als na de koffie de glazen worden weggehaald, heb ik nog één vraag: hoe komt het dat ik nooit aankondigingen of verslagen ontvang over al deze interessante aspecten van het dorpsleven?

De Zwitsers die nog aan tafel zitten, kijken me aan alsof mijn haar in brand staat. Dan schraapt iemand zijn keel en zegt: ,,Kent u het dorpsplein, bij het postkantoor en de levensmiddelenwinkel? Naast de dokter, de bibliotheek en de school, ja. Op dat plein staat een zuil. Daarop plakken we alles aan.'' Dat die hele zuil me in een jaar tijd nog nooit is opgevallen, valt niet meer te verbergen. Heel nuttig, zo'n fondue.