`Ik wist toen nog niet dat het verkeerd was'

Zijn jeugdige zedendelinquenten te behandelen? Uit onderzoek blijkt dat groepsverkrachters na meer dan een jaar poliklinische therapie niet meer recidiveren.

Dwight, nu 17 jaar, schrijft in zijn werkboek in een kinderlijk rond handschrift over de groepsverkrachting waaraan hij vorig jaar deelnam: ,,Ik wou sex hebben. Ik dacht er niet bij na wat zij wou.'' Het werkboek maakt deel uit van zijn therapie. Dwight moest van zijn therapeut aan het delict denken en de volgende zinnen afmaken: Ik dacht dan vaak... Dwight schrijft: ,,alleen aan sex hebben (...)''

Ik deed dan gewoonlijk vooraf... Dwight: ,,sexueel fantasieën. Over hoe het zou zijn (...) Ik maakte plan in de kelderbox.''

Ik praatte mijn gedrag goed door... ,,Dat ze het zelf wil. Want ze doet het met iedereen. Ze vindt het lekker.''

Dwight verkrachtte, samen met twee vrienden, een 13-jarig meisje in een kelderbox. Ze ging er vrijwillig naar binnen, haar vriendin bleef buiten wachten. Het was een van een serie geruchtmakende groepsverkrachtingszaken die afgelopen jaren plaatsvonden in Rotterdam, en die voor justitie aanleiding waren een onderzoek in te stellen naar de achtergronden van de zaken.

Na aandringen van Dwight pijpte het meisje hem en zijn vrienden, en trok hen af. Vervolgens werd ze verkracht. Ze zei, zo verklaarden de jongens, ,,ik wil dit niet, ik wil dit niet''. Dwight vertelt zijn therapeut: ,,Ik wist toen nog niet dat het verkeerd was.'' Zijn therapeut schrijft in zijn dossier: ,,Daar kwam hij pas een paar weken later achter.''

In de forensische polikliniek De Waag in Den Haag worden jeugdige daders van groepsverkrachtingen behandeld, meestal als onderdeel van de door de rechter opgelegde straf. Vaak hebben ze dan al een paar maanden in een jeugdgevangenis gezeten. Een tot twee jaar lang komen ze wekelijks naar De Waag voor een therapiesessie.

Jan Hendriks, ontwikkelingspsycholoog en hoofd afdeling jeugd van de forensische polikliniek De Waag, behandelt jeugdige groepsverkrachters. Daarnaast doet hij al jaren onderzoek naar deze jongens (groeps- en solodaders). Hij wilde weten of de poliklinische behandeling werkt: plegen ze na therapie minder vaak opnieuw een (zeden)delict dan jongens die niet behandeld worden? En is daarbij verschil tussen solodaders en groepsplegers?

Jeugdige groepsverkrachters plegen na poliklinische behandeling niet opnieuw een zedendelict, zo blijkt uit het onderzoek dat hij uitvoerde samen met Catrien Bijleveld, hoogleraar methoden en technieken van criminologisch onderzoek aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Van de groepsdaders die geen therapie kregen, pleegt 12 procent opnieuw een zedendelict. Bij de solodaders is dat gemiddeld 10 procent. Na therapie recidiveert van de solodaders toch nog 5 procent naar een zedendelict. Het gaat om een behandeling van maximaal twee jaar, gemiddeld één therapiesessie per week.

Het verbaasde Hendriks dat de behandeling juist bij jeugdige groepsverkrachters aanslaat, al zegt hij er meteen bij dat hij te weinig jongens heeft gevolgd voor een definitief oordeel. ,,Ze lijken vaak lastig te behandelen'', zegt Hendriks. ,,Ze hebben de neiging het delict te bagatelliseren en de schuld bij het meisje te leggen. Shureni (nu 16), mededader en vriend van Dwight en ook in therapie bij De Waag, zei bijvoorbeeld tegen zijn therapeut: `Het meisje deugde niet, ze deed het met alle jongens'.''

Groepsdaders zijn vaak machotypes met antisociale trekken, zegt Hendriks. Ze hebben een zwak empathisch vermogen (ze kunnen zich niet goed inleven in een ander) en denken egocentrisch. ,,Bijna allemaal vinden ze dat het meisje het aan zichzelf te wijten heeft, ze ging toch zelf mee. Dat ze meeging, betekent in hun ogen dat ze wilde neuken. Dat ze misschien meekomt om een potje te klaverjassen, wil er niet in.''

Deze jongens, zegt Hendriks, ,,onderscheiden twee soorten meisjes: meisjes waarmee je verkering hebt, en `vieze meisjes'. Vieze meisjes doen het met iedereen. Voor vieze meisjes hoef je geen respect te hebben, daar kun je mee doen wat je wilt.''

De therapeut probeert die denkfouten bloot te leggen, bijvoorbeeld in een rollenspel waarbij de dader zijn slachtoffer moet spelen. Ook de gevolgen van het seksueel misbruik voor het slachtoffer komen aan de orde. In het werkboek staat: Wat zal mijn slachtoffer gedacht hebben? Shureni maakt die zin af en schrijft: ,,Dat zij haar raar voelt, dat ze geen vriendje voorlopig meer hebben.'' Welke gevoelens zal mijn slachtoffer gehad hebben? ,,Paar dagen alleen wil zijn'', vermoedt Shureni. In de therapie wordt ook gewerkt aan het verbeteren van empathie, impulscontrole, gedragsalternatieven en algemene sociale vaardigheden.

Dwight en Shureni zijn geboren op de Antillen. Uit eerder onderzoek bleek al dat tweederde van de groepsverkrachters allochtoon is, in de praktijk zijn het vaak Antillianen en Kaapverdianen. Vooral Rotterdam kent de laatste jaren verschillende groepsverkrachtingszaken door Antilliaanse en Kaapverdiaanse jongens. Hendriks vermoedt dat hun culturele achtergrond meespeelt bij het delict. ,,Deze jongens hebben weinig schaamte over seks. Vandaag nog vroeg ik een Antilliaanse cliënt naar zijn vrienden. Hij zei: `Vrienden? Mijn lul is mijn grootste vriend.' Dat zal je een Marokkaan of een Turk nooit horen zeggen.''

Hendriks heeft nog nooit een groepsdader behandeld die na een paar maanden therapie zei: wat ik deed was volkomen fout. ,,Maar je ziet dat ze gaan inzien dat je niet met elk meisje kunt doen wat je wilt. Of je haar nou vies vindt of niet. En dat de consequenties groot zijn, voor het meisje maar ook voor henzelf.''

De namen van de jongens zijn om privacyredenen gefingeerd