Geen klaarheid over slepende artikel 23 discussie

Het bijzonder onderwijs is niet meer zo bijzonder, aldus het hoofdartikel van NRC Handelsblad van 26 november. Dat klopt, dit is het algemene gevoelen dat onder de bevolking leeft; aangegeven wordt dat ,,er iets meer kinderen naar bijzondere dan naar openbare scholen gaan''. Maar dit feit biedt nog geen klaarheid over de slepende discussie over artikel 23 van de Grondwet.

Het hoofdartikel stelt dat ,,door de afschaffing van het bijzonder onderwijs Hirsi Ali de onderwijskeuze verder wil beperken''. Het is de vraag of dat juist is. Voorzover ik haar goed heb gevolgd, gaat haar strijd niet tegen artikel 23 als zodanig, maar om de risico's die de dagelijkse praktijk op de islamitische scholen met zich meebrengt. Concreet: kan de minister van Onderwijs de garantie afgeven dat de specifiek islamitische waarden ondergeschikt zijn aan de waarden van de Nederlandse rechtsstaat? Kunnen wij ervan verzekerd zijn dat leerlingen van het islamitische (basis en voortgezet) onderwijs de principes van gelijkberechtiging (man en vrouw) en van de scheiding van kerk (ook de moskee volgens het officiële Turkse staatsrecht) en staat bijgebracht worden en dat de Grondwet boven de koran gaat, omdat ons land een seculiere staat is? Er zijn genoeg bewijzen van het feit dat de plattelandstraditie in stand blijft, dat de man heerser is boven de vrouw en dat huiselijk geweld toegestaan is als de vrouw zich een eigen mening veroorlooft. Dat is de kern van de strijd van Hirsi Ali tegen `artikel 23': strijd tegen onderdrukking dus.