EU moet niet geheimzinnig doen met antiterreurplannen

Het antiterrorismebeleid van de EU ontbeert een gemeenschappelijke visie, er wordt niet openlijk over gediscussieerd en grondrechten dreigen het onderspit te delven, betoogt Mats Engstrom.

De ministers van Justitie en Veiligheid van de Europese Unie zullen donderdag op een vergadering van de Europese Raad in Brussel een aantal verstrekkende besluiten nemen ter bestrijding van het terrorisme. Die besluiten zijn onderdeel van een strategie die lastige vragen oproept: over de persoonlijke integriteit, de grondrechten en de vrijheid van meningsuiting. Het thema komt vrijwel zeker op de agenda van de Europese top op 15 en 16 december.

Deze strategie is vastgelegd in een aantal documenten, waaronder een overkoepelend `actieplan' dat is bedoeld om de radicalisering en werving tegen te gaan van mogelijke aanhangers van terroristische groeperingen. Dit is een van de belangrijkste punten op de agenda van het Britse voorzitterschap. Waar het om gaat is duidelijk, vooral na de vreselijke terreuraanslagen in Madrid (maart 2004) en Londen (juli 2005): hoe kunnen landen en maatschappijen de werving voorkomen voor organisaties en netwerken die bereid zijn onschuldige burgers te vermoorden?

In lidstaten als Groot-Brittannië is een hevig debat gevoerd over nationale wetgeving met betrekking tot dit thema. In de Europese Unie is dit minder het geval geweest. Daar is een eenvoudige reden voor. In de nationale politieke arena is de overheid verplicht – tenminste in beginsel – om voorstellen openbaar te maken voordat het parlement verzocht wordt om ze goed te keuren. Zo gaat het niet in de Raad van Ministers van de Europese Unie, waarvan de vergaderingen – onder voorzitterschap van secretaris-generaal Javier Solana – worden bijgewoond door de nationale ministers van de relevante ministeries van de EU-lidstaten en waarop wordt gesproken over onderwerpen van gemeenschappelijk belang – van landbouw tot milieu, van sociale politiek tot buitenlandse zaken.

In de Raad, en trouwens ook elders in de Europese Unie, is geheimhouding van voorstellen en besprekingen normaal. Er is vooral strikte geheimhouding op veiligheidsterreinen zoals het defensiebeleid en het Schengen-akkoord over grenscontroles. Maar de geheimhouding ten aanzien van de maatregelen die donderdag worden besproken is extra belangrijk, omdat deze maatregelen een wezenlijke nieuwe stap betekenen in de terreurbestrijding.

Deze maatregelen hadden onderwerp van een openbaar debat moeten zijn op het niveau van de EU, met deelneming van allerlei delen van de maatschappij – vooral ook van de moslimgemeenschappen. Dit is niet gebeurd: de lidstaten spreken al vier maanden over de strategie en het actieplan als geheel, maar de documenten worden nog altijd geheimgehouden op het secretariaat van de Raad.

Met één uitzondering: op 24 november publiceerde de Riksdag (het Zweedse parlement) de tekst van een memorandum, gedateerd 11 november 2005, van de voorzitter van de Raad van Ministers – in deze periode van zes maanden de Britse minister van Binnenlandse Zaken Charles Clarke – aan de Raadscommissies van `Artikel 36' en van Politieke en Veiligheid. Daarin werd de beoogde `strategie van de Europese Unie ter bestrijding van de radicalisering en werving voor het terrorisme' uiteengezet. Paragraaf 9 geeft een indicatie van de maatregelen waartoe de lidstaten zich zouden moeten verplichten tegen mensen die verdacht worden van steun aan gewelddaden:

,,We dienen dergelijk gedrag bijvoorbeeld op te sporen met behulp van burgertoezicht, controle van het internet en het reizen naar conflictgebieden. We moeten onze deskundigheid uitbouwen door nationale taxaties en analyses uit te wisselen. Ook moeten we dergelijk gedrag verstoren. We zullen de activiteiten beperken van de mensen die een rol spelen in de radicalisering, zowel in gevangenissen als in onderwijsinstellingen en gebedshuizen, en nauwlettend toezien op de toelating en het verblijf van zulke personen. We zullen met kracht voorkomen dat mensen toegang krijgen tot terroristische trainingen en ons daarbij vooral richten op mensen die naar conflictgebieden reizen. We moeten het juiste juridische kader scheppen om personen te beletten op te roepen tot geweld en dit geweld goed te praten. En we zullen nagaan hoe we de werving van terroristen met behulp van het internet kunnen tegenhouden. We zullen streven naar een politieke dialoog en technische bijstand leveren om landen buiten de EU te helpen dit ook te doen.''

Dit zijn belangrijke thema's die serieuze aandacht verdienen. Over sommige – waar, wanneer en hoe de grens te trekken tussen vrijheid en veiligheid, politieke meningsuiting en propaganda voor geweld, sociale verdraagzaamheid en wettelijke sancties – is hevig gedebatteerd in Groot-Brittannië en enkele andere lidstaten. Maar per saldo is de strategie die in het document van 11 november wordt voorgesteld aan de repressieve kant, en ik vrees dat ze kunnen leiden tot een inbreuk op de vrijheid van meningsuiting en andere grondrechten. Zo wordt het `oproepen tot geweld en goedpraten ervan' niet behoorlijk gedefinieerd en is er nauwelijks aandacht voor de vervreemding van jonge Europeanen in de voorsteden met hoge werkloosheid.

Het document zelf is dus al problematisch, maar de geheimhouding eromheen is onaanvaardbaar. De tekst bevat niets wat gebruikt zou kunnen worden door mensen die gewelddaden willen begaan. Sterker nog, de concrete initiatieven waartoe de lidstaten zich verbinden hebben een hogere geheimhoudingsclassificatie dan de strategie zelf. Dit heeft zelfs de Zweedse overheid – met haar traditie van openheid – belet om openbaar te maken welke nieuwe wetten zij op 1 december zal ondertekenen. De regering in Stockholm heeft het parlement weliswaar verteld dat het actieplan beoogt de EU-kaderrichtlijn tegen het terrorisme zodanig te verruimen dat deze ook de omstreden kwestie van `het aanzetten tot haat' zal omvatten, maar de precieze formulering is nog altijd geheim.

Ook de details van een ander gevoelig element in het actieplan waarover de media zouden moeten berichten, zijn nog geheim. De internationale journalistenfederatie heeft al eerder kritiek gehad op voorstellen van de Europese Commissie op dit terrein – zoals sluiting van satellietzenders die tot geweld aanzetten – als mogelijke methode om het terrorisme te bestrijden.

Dit is niet de eerste keer dat Javier Solana en het secretariaat van de Raad van de Europese Unie geheimhouding boven democratie hebben gesteld. Maar wil de strategie van de EU ter bestrijding van het terrorisme effectief zijn, wil ze de instemming verwerven van de burgers uit wier naam ze bestaat, dan kunnen de Europese Unie en haar Britse voorzitter de burgers niet in het duister laten tasten.

Mats Engstrom is columnist van de Zweedse krant Aftonbladet en heeft van 1994-2001 als assistent van de Europese Commissie in Brussel gewerkt.

© Opendemocracy.net