Democratie als geschenk van Allah

De Indiase moslimpartij Jamaat-e-Islami ontdeed zich van haar radicale islamistische ideologie. Dankzij de Indiase seculiere democratie, aldus socioloog Irfan Ahmad.

Irfan Ahmad (31) komt uit Bihar, Noord-India. Hij is een geseculariseerde moslim en schreef een boek over een Indiase islamitische partij. Ogenschijnlijk een klein onderwerp, maar dat is het niet. India telt volgens een behoudende schatting 125 miljoen moslims (12,5 procent van de totale bevolking) en herbergt daarmee de op twee na (Indonesië, Pakistan) grootste islamitische gemeenschap ter wereld. India is ook een seculiere democratie en dat gegeven is, zegt Ahmad, van groot belang voor de positie van de islam als minderheidsreligie.

Irfan Ahmad promoveert vandaag aan de Universiteit van Amsterdam op een sociologische studie getiteld From Islamism to Post-Islamism; The Transformation of the Jamaat-e-Islami in North India. Hij deed in 2002-2004 historisch en etnografisch onderzoek naar de ingrijpende ideologische verandering van deze moslimpartij en interviewde veel kaderleden. Ahmad kwam naar Amsterdam op uitnodiging van prof. Peter van der Veer, zijn promotor, die hij ontmoette in New Delhi.

Irfan Ahmad beschrijft een spectaculaire metamorfose. Toen Jamaat-e-Islami (JI, `islamitische gemeente') in 1941 werd opgericht, was vestiging van een islamitische staat hét doel, verbood ze moslims zelfs maar te ademen in een niet-islamitische staat, en verklaarde ze de democratie, die de soevereiniteit van de mens boven die van God stelde, letterlijk uit den boze. Meedoen aan verkiezingen was haram (ongeoorloofd op religieuze gronden).

In de loop van tientallen jaren heeft JI al deze leerstukken laten vallen, de seculiere democratie omhelsd en die zelfs een `godsgeschenk' genoemd. Volgens Ahmad was het India's politieke systeem dat de partij dwong tot deze verandering. De jongerenvleugel radicaliseerde aan het einde van de jaren tachtig, toen het seculiere en democratische karakter van India werd bedreigd door de opkomst van het hindoefundamentalisme. Dat leidde tot afscheiding van een radicale splinter, SIMI, die een jihad uitriep tegen hindoe-extremisten, maar het bracht de partij niet op andere gedachten. De oprichter van Jamaat-el-Islami, Abul A'la Maududi (1903-1979), stamde uit een geslacht van islamitische schriftgeleerden in het vorstendom Hyderabad, nu de Indiase deelstaat Maharashtra. Volgens Maududi was de islam zowel religie als politieke ideologie. De islamitische staat die hem voor ogen stond, omschreef hij als een `theo-democratie', een stelsel waarin politieke gezagsdragers worden gekozen, maar onderworpen zijn aan goddelijke wetten, uit te leggen door schriftgeleerden.

Irfan Ahmad: ,,Maududi was in geloofstermen een modernist. Hij deed de islamitische tradities en praktijken van Brits-Indië af als jahiliya (onwetendheid, duisternis), de Arabische term die moslims gebruiken voor pre-islamitische tijden. Hij verwierp de gangbare blinde navolging van middeleeuwse rechtsgeleerden en pleitte voor zelfstandige interpretatie(ijtihad) van de koran. Hij bewonderde het Britse onderwijssysteem, zij het niet de waarden en normen die het overbracht. In 1941 schiep hij een kaderpartij, gemodelleerd naar leninistisch voorbeeld: Jamaat-e-Islami.''

Toen Brits-Indië in 1947 uiteenviel in Pakistan en India, brak ook de JI in tweeën. Maududi verhuisde met miljoenen andere moslims naar het islamitische Pakistan. Hij had kritiek op de westers georiënteerde grondleggers van Pakistan, maar was bereid tot samenwerking. De Indiase tak deed op gezag van Maududi niet mee aan de verkiezingen van 1950 en 1951 en legde zich toe op kadervorming met het oog op een toekomstige islamitische omwenteling.

De meeste Indiase moslims lieten zich weinig gelegen liggen aan JI. Zij verwierpen de opvatting dat deelname aan het democratisch proces in een Darul Kufr (woonplaats van ongelovigen), zoals Maududi India noemde, een zonde was. Want democratie bood hen als minderheid een forum. Bij de eerste verkiezingen in onafhankelijk India dongen zo'n 500 moslimkandidaten naar een parlementszetel en gingen moslims massaal naar de stembus. Bij de verkiezingen van 1955 en 1961 raakte JI totaal geïsoleerd. Dit noopte tot herbezinning en medio jaren zestig stond JI haar leden toe deel te nemen aan de stembusrace.

De hoofdbestanddelen van de JI-ideologie waren: een zelfbeeld als `de zuivere islam', het streven naar een islamitische staat, de idee van de islam als een afgerond, compleet systeem, dat van toepassing is op alle domeinen van het persoonlijke, sociale en politieke leven, totale distantie van half-gelovigen en ongelovigen en van de seculiere staat en zijn instellingen. Met de Franse islamkenner Olivier Roy noemt Ahmad deze ideologie `islamisme'. Op den duur liet de JI in India deze elementen één voor één vallen en heeft ze personen, instellingen en ideeën die ze ooit als vijandig beschouwde, omhelsd.

Ahmad: ,,Tegenwoordig onderscheidt JI zich ideologisch niet meer van de Indiase moslims die zich houden aan religieuze plichten als vijfmaal daags bidden en moskeebezoek. Het is een islamitische partij, meer niet, en dat is het enige onderscheid met de meerderheid der gelovigen die geen lid is van, of kiest voor een partij op religieuze grondslag. De politieke islam is niet verdwenen, maar wezenlijk van karakter veranderd.''

In navolging van de Iraanse socioloog Asef Bayat noemt Ahmad deze transformatie `post-islamisme'. Ahmad: ,,Post-islamisme is een diepgaand proces van omdenken, de ontbinding van een afgerond systeem door voortdurende herinterpretatie, in permanente interactie met gewezen tegenstanders. De vervaging van de grenzen die het islamisme had getrokken, de omhelzing van `de ander' (`onzuivere' gelovigen en ongelovigen), de daling van een islamitische staat op de politieke agenda en het in twijfel trekken van oude zekerheden leidde tot dubbelzinnigheden, verwarring en interne conflicten.''

Ahmad verklaart dit `post-islamistische' proces uit de politieke omgeving, de Indiase seculier-democratische staat. ,,Het was die context'', zegt hij, ,,die de massa van Indiase moslims, die zich niet voelde aangesproken door de JI-ideologie, in staat stelde deze via de stembus te verwerpen. In Algerije en Egypte geven autoritaire politieke systemen juist voedsel aan islamisme, dat daar hét vehikel vormt voor de heersende onvrede.''