Vergeten historische verhalen moeten gevoeld kunnen worden

De Tweede Kamer debatteert morgen tijdens de begrotingsbehandeling van OCW over de oprichting van het Centrum voor Geschiedenis en Democratie.

Deze nieuwe instelling vormt een noodzakelijke aanvulling op de historische musea, menen Chris Groeneveld en Nel van Dijk.

Jan Vaessen, directeur van het Openluchtmuseum, veegde op de Opiniepagina van 21 november de vloer aan met de plannen voor een nieuwe, nationale instelling: het Centrum voor Geschiedenis en Democratie (CGD). Dit Centrum wil het historisch besef over de Nederlandse geschiedenis, democratie en rechtsstaat versterken. Volgens Vaessen is het een onzalig plan, veel te duur, zonder enig draagvlak en een bedreiging voor de historische musea.

Het is een misvatting te stellen dat er voor dit initiatief geen draagvlak zou zijn. Er is juist veel animo voor, en beslist niet alleen bij kabinet en Tweede Kamer. In het culturele en het maatschappelijke veld en vanuit de historische wetenschap bestaat al jaren het besef dat in Nederland zoiets als een nationaal historisch museum ontbreekt. Die overtuiging komt mede voort uit de discussies over de Nederlandse identiteit-in-verwarring, over afbrokkelende maatschappelijke binding en over het droevig makend gebrek aan historisch besef. Voordat we kunnen bouwen aan een stevige gezamenlijke identiteit, moeten we wel weten wat die inhoudt.

Een instelling gericht op een pluriform, maar ook gezamenlijk verleden en een gezamenlijke toekomst kan de binding in de samenleving versterken. Het CGD gaat over verleden, heden en toekomst van Nederland, en de manier waarop wij keuzes maken voor de toekomst. Door de focus op democratie en geschiedenis van heel Nederland, en de blik op de toekomst, onderscheidt het CGD zich van historische musea. Maar dat is niet het enige verschil.

Nederland bezit veel prachtige, levendige musea, waaronder Jan Vaessens eigen Openluchtmuseum. Maar hoe spannend of vernieuwend deze musea ook zijn, ze bereiken een beperkt deel van de bevolking. Het CGD wil zich richten op het publiek dat zelden of nooit de stap naar een museum zet. Wij zijn er voor mensen wie een museaal object niets zegt, omdat ze het verhaal achter dat object niet (meer) kennen. Daarom willen wij hen dat vergeten verhaal laten voelen, laten beleven, en er deel van laten uitmaken. In het CGD ruik je hoe beroerd de hygiëne was in een middeleeuwse stad, en mag je als bestuurder van diezelfde stad de situatie verbeteren in een spectaculaire simulatie. Of kruip je in de huid van een 20ste- of 21ste-eeuwse politicus en ervaar je zelf het `Haagse gedoe'. Je kinderen ploeteren ondertussen in de erbarmelijke omstandigheden van een 19de-eeuwse fabriek.

Om een werkelijk landelijk bereik te realiseren, zal het CGD ook een scala aan laagdrempelige activiteiten organiseren in het land, zoals stichting Anno (vertaalt in opdracht van de overheid geschiedenis naar het grote publiek, bijvoorbeeld via de week van de geschiedenis) dat nu doet met `Eng', de attractie in de vorm van een spookhuis die gaat over de geschiedenis van angst. En met een mix aan media, van websites zoals de Stemwijzer van het Instituut voor Publiek en Politiek (IPP) tot televisie-items en landelijke (school)krantenbijlagen, kan het CGD letterlijk een miljoenenpubliek bedienen. Deze activiteiten buiten het gebouw zijn een essentieel onderdeel van onze aanpak.

De nieuwe taak, het onderwerp noch de methodes passen bij die van historische musea. Die hebben een andere focus en taken, die altijd rond de eigen collectie zijn opgebouwd. De kennis van Anno op het gebied van populariseren en van IPP op het gebied van maatschappelijke participatie leidt tot een werkelijk vernieuwend initiatief dat geen bedreiging, maar een aanvulling vormt op het historische en culturele veld. Want wij zijn ervan overtuigd dat een bezoeker die bij ons heeft ervaren hoe leuk of leerzaam geschiedenis en democratie kunnen zijn, eerder een historisch museum of een archief zal bezoeken.

Chris Groeneveld is zakelijk directeur van Anno en Nel van Dijk is directeur van het Instituut voor Publiek en Politiek.